Het getal dat ervoor komt: vóór 4 komt 3.
Aftrekken tot 5
Aftrekken tot 5 oefenen, van 3 − 1 tot 3 − 3: kleine getallen eraf halen, ook alles eraf of niets eraf, zoals bij 4 − 0.
Uw kind kan hier beginnen zodra het tot 5 kan optellen. Wie weet dat 2 en 3 samen 5 zijn, kan daaruit afleiden wat er overblijft als er 3 af gaat, en die omkering is waar deze stap om draait.
Meestal in de 3de kleuterklas en het 1ste leerjaar in Vlaanderen en groep 2–3 in Nederland, rond 5 tot 7 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.
De eerste van 7 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal
Zo ziet het eruit voor uw kind
Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Uitrekenen.
Hoe het samenhangt
De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.
Eerst nodig
Aftrekken
Kan daarna
eerst dit, dan dat hoort bij
Tel terug vanaf het eerste getal: 5 − 2 → 4, 3.
Draai hem om: 5 − ? = 3 is hetzelfde als 3 + ? = 5.
Eén minuut, zo veel sommen als het lukt. Niet nodig om verder te komen, wel leuk om sneller te worden.
Uitrekenen en invullen door elkaar: eerst kijken waar het gat zit.
Eén minuut, zo veel sommen als het lukt. Niet nodig om verder te komen, wel leuk om sneller te worden.
Alles van dit onderwerp in één ronde van 30 sommen.
- Plus en min — Staat bij Optellen tot 5
- Plus en min: invullen — Staat bij Optellen tot 5
- Plus en min: grote ronde — Staat bij Optellen tot 5
- Snel: plus en min — Staat bij Optellen tot 5
Waarom dit belangrijk is
Bij aftrekken tot 5 leert uw kind dat getallen ook kleiner kunnen worden. Het is de omkering van optellen tot 5: wie weet dat 2 en 3 samen 5 zijn, kan daaruit afleiden wat er overblijft als u er 3 weghaalt. Die verbinding is waar deze stap om draait.
Ook de nul krijgt hier een plek. Sommen als 4 − 4 en 3 − 0 lijken flauw, maar ze laten zien wat ‘alles eraf’ en ‘niets eraf’ betekent. Dat begrip komt later steeds terug, tot in sommen met honderdtallen.
Zo pakt u het aan
Een hand met vijf vingers is hier het beste hulpmiddel. Steek er drie op, vouw er één weg, en tel wat er staat. Zo ziet uw kind het eraf halen gebeuren in plaats van het alleen te horen.
Zodra dat vlot gaat, kunt u de vingers langzaam laten verdwijnen. Vraag eens zonder handen: ‘je had er vier en er gaan er twee weg, hoeveel nog?’ Lukt dat, dan zitten de sommen in het hoofd. De mix helpt daarbij, omdat het gat steeds op een andere plek staat en uw kind dus moet blijven kijken.
Wanneer zit het erin?
Een ronde van 10 sommen in één keer zonder fouten, binnen 20 seconden. Dat is ongeveer 2 seconden per som: geen tellen meer, maar weten.