Maqqii Een gebalanceerd netwerk van rekenvaardigheden voor kinderen op de lagere school Oefenen

Aftrekken

Aftrekken oefenen, van 3 − 1 tot 63 − 57: terugtellen en aanvullen, in zes stappen van tot 5 naar tot 100, met plus en min door elkaar.

Hoe het samenhangt

De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.

eerst dit, dan dat hoort bij

Waarom dit belangrijk is

Aftrekken is lastiger dan optellen, en dat is geen toeval. Bij optellen groeit alles, bij aftrekken moet uw kind terug, en terugtellen gaat minder vanzelf dan vooruit. Wie aftrekken alleen als ‘wegnemen’ leert, loopt vast bij een som als 31 − 28, waar wegnemen veel stappen kost.

Daarom staat aftrekken hier steeds naast optellen. Er zijn sommen met plus en min door elkaar, en invulsommen waarin uw kind ziet dat 9 − 4 = 5 en 4 + 5 = 9 hetzelfde verhaal vertellen. Die twee kanten samen maken later breuken, kommagetallen en hoofdrekenen onder de honderd een stuk lichter.

Zo pakt u het aan

Er zijn twee manieren om af te trekken, en uw kind heeft ze allebei nodig. Terugtellen werkt goed als er weinig af gaat: 14 − 2 is twee stapjes terug. Aanvullen werkt beter als de getallen dicht bij elkaar liggen: bij 31 − 28 telt u op van 28 naar 31, en dat is maar 3.

Laat uw kind bij elke som even kiezen in plaats van altijd hetzelfde te doen. Vraag af en toe hardop: ‘is het ver weg of dichtbij?’ Na een tijdje stelt uw kind die vraag zelf, en dat is precies de gewoonte die het later bij grote getallen nodig heeft.