Kijk bij elke som eerst of het plus of min is.
Aftrekken tot 30
Aftrekken tot 30 oefenen, van 29 − 6 tot 23 − 9 en 27 − 24: terug over twee tientallen, met meer getallen, de balans en plus en min door elkaar.
Uw kind kan hier beginnen zodra het tot 30 kan optellen en aftrekken tot 20 goed zit, ook terug over de tien. Tot 30 moet dezelfde aanpak werken vanaf de 20, en dat lukt alleen wie hem bij de 10 echt begrepen heeft en niet als trucje kent.
Meestal in het 2de leerjaar in Vlaanderen en groep 4 in Nederland, rond 7 tot 8 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.
De eerste van 28 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal
Zo ziet het eruit voor uw kind
Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Over de tien.
Hoe het samenhangt
De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.
Aftrekken
Aftrekken tot 30
Twee getallen tot 30
Meer getallen en balans tot 30
Kan daarna
eerst dit, dan dat hoort bij
Lees de hele som voor je invult: komt er iets bij, of gaat er iets af?
Van links naar rechts, één stap tegelijk.
Reken één kant uit, en maak de andere kant even groot.
30 sommen achter elkaar, alles gemengd: de proef op de som.
Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.
50 sommen achter elkaar, alles gemengd: de proef op de som.
Twee getallen tot 30
Welke twee getallen geven dit verschil? Tik ze in de goede volgorde aan.
28 − 6: alleen de enen, 8 − 6 = 2, dus 22.
Eerst terug naar het tiental: 22 − 5 = 22 − 2 − 3 = 17.
Draai hem om: 28 − ? = 22 is hetzelfde als 22 + ? = 28.
Tel op vanaf het kleine getal: 30 − 13 — van 13 naar 20 is 7, dan nog 10, dus 17.
Draai hem om: 22 − ? = 17 is hetzelfde als 17 + ? = 22.
Kijk eerst: kun je de enen eraf halen zonder terug over de tien te gaan?
Meer getallen en balans tot 30
Haal ze er één voor één af, van links naar rechts.
Reken één kant uit, en maak de andere kant even groot.
Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.
Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?
Haal ze er één voor één af, van links naar rechts.
Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.
Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.
Door elkaar tot 30
Dezelfde som als 22 − 5 = 17, maar tien keer zo groot: 220 − 50 = 170.
Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.
Dezelfde som als 22 − 5 = 17, maar honderd keer zo groot: 2200 − 500 = 1700.
Net als 30 − 12 = 18, maar tien keer zo groot: 300 − 120 = 180.
Dezelfde som als 22 − 5 = 17, maar duizend keer zo groot: 22000 − 5000 = 17000.
Net als 30 − 12 = 18, maar honderd keer zo groot: 3000 − 1200 = 1800.
Net als 30 − 12 = 18, maar duizend keer zo groot: 30000 − 12000 = 18000.
Waarom dit belangrijk is
Tot twintig was er maar één tiental om terug overheen te gaan. Tot dertig zijn het er twee, en dat dwingt uw kind om de methode los te zien van het getal 10. Bij 26 − 8 is 20 het richtpunt, bij 16 − 8 is dat 10: het principe blijft, alleen het tiental verschilt.
Ook plus en min door elkaar komt hier vaker voor, met drie getallen of als balans. Uw kind leert dus niet alleen aftrekken, maar ook om bij elke som eerst het teken te lezen. Die aandacht voor de vorm van een som maakt het verschil zodra de getallen groter worden.
Zo pakt u het aan
Laat uw kind bij een getal als 24 even benoemen wat erin zit: twee tientallen en vier enen. Wie dat ziet, kan bij 24 − 7 bedenken: eerst de 4 eraf naar 20, dan nog 3, dus 17. Het splitsen van het kleine getal is hetzelfde als tot twintig, alleen begint het nu bij een ander tiental.
Bij drie getallen werkt van links naar rechts altijd, maar wie goed kijkt, ziet soms een kortere weg. Bij 27 − 5 − 7 is 27 − 7 = 20 makkelijk, en daarna is 20 − 5 = 15. Vertel uw kind gerust dat dat mag: zolang alles eraf gaat, maakt de volgorde niet uit.
Wanneer zit het erin?
Als uw kind alle 10 sommen foutloos maakt in 30 seconden of minder. Zo vlot gaat het pas wanneer de antwoorden uit het geheugen komen.