Maqqii Een gebalanceerd netwerk van rekenvaardigheden voor kinderen op de lagere school Oefenen

Aftrekken tot 20

Aftrekken tot 20 oefenen, van 19 − 2 tot 12 − 7: binnen het tiental en terug over de tien, met meer getallen, de balans en plus en min door elkaar.

Uw kind kan hier beginnen zodra het tot 20 kan optellen en tot 10 kan aftrekken. Wie de sprong over de tien bij het optellen kent, herkent hem hier achterstevoren: bij 14 − 6 eerst 4 eraf naar 10, dan nog 2, en dat lukt alleen wie weet dat 6 uit 4 en 2 bestaat.

Meestal in het 1ste leerjaar in Vlaanderen en groep 3–4 in Nederland, rond 6 tot 8 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.

  • 19-2=17
  • 9+2=11

De eerste van 28 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal

Zo ziet het eruit voor uw kind

Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Over de tien.

1 Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
2 Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
3 Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
4 Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.
Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.

Hoe het samenhangt

De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.

eerst dit, dan dat hoort bij

  • 19-2=17
  • 9+2=11

Kijk bij elke som eerst of het plus of min is.

  • 3+11=14
  • 16-4=12

Lees de hele som voor je invult: komt er iets bij, of gaat er iets af?

  • 5+11=16
  • 7+5=12

30 sommen achter elkaar, alles gemengd: de proef op de som.

  • 17-3=14
  • 4+9=13

Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.

  • 14-6-3=5
  • 15+1+2=18

Van links naar rechts, één stap tegelijk.

  • 16-8=18-10
  • 16+2=7+11

Reken één kant uit, en maak de andere kant even groot.

  • 150-90=60
  • 20-3-8=9

60 sommen achter elkaar, alles gemengd: de proef op de som.

Twee getallen tot 20

  • 15-2=13
  • 17-2=15

17 − 5: alleen de enen, 7 − 5 = 2, dus 12.

  • 12-7=5
  • 12-3=9

Eerst terug naar het tiental: 13 − 5 = 13 − 3 − 2 = 8.

  • 19-8=11
  • 14-3=11

Draai hem om: 17 − ? = 12 is hetzelfde als 12 + ? = 17.

  • 20-8=12
  • 20-14=6

Tel op vanaf het kleine getal: 20 − 7 — van 7 naar 10 is 3, dan nog 10, dus 13.

  • 16-7=9
  • 13-7=6

Draai hem om: 13 − ? = 8 is hetzelfde als 8 + ? = 13.

  • 11-9=2
  • 19-1=18

Kijk eerst: kun je de enen eraf halen zonder terug over de tien te gaan?

  • 18-11=7
  • 17-10=7

Welke twee getallen geven dit verschil? Tik ze in de goede volgorde aan.

Meer getallen en balans tot 20

  • 20-16-2=2
  • 17-5-11=1

Haal ze er één voor één af, van links naar rechts.

  • 16-8=9-1
  • 20-3=19-2

Reken één kant uit, en maak de andere kant even groot.

  • 19-9-2=8
  • 15-6-4=5

Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.

  • 18-1-14=3
  • 19-2-3=14

Eén minuut, zo veel sommen als het lukt. Niet nodig om verder te komen, wel leuk om sneller te worden.

  • 17-2-2-1=12
  • 12-3-3-3=3

Haal ze er één voor één af, van links naar rechts.

  • 18-15=7-4
  • 12-6=16-10

Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?

  • 16-4-1-4=7
  • 20-3-2-5=10

Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.

Door elkaar tot 20

  • 110-20=90
  • 140-70=70

Dezelfde som als 13 − 5 = 8, maar tien keer zo groot: 130 − 50 = 80.

  • 17-8=9
  • 11-3=8

Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?

  • 1300-500=800
  • 1600-700=900

Dezelfde som als 13 − 5 = 8, maar honderd keer zo groot: 1300 − 500 = 800.

  • 200-170=30
  • 200-160=40

Net als 20 − 6 = 14, maar tien keer zo groot: 200 − 60 = 140.

  • 14000-8000=6000
  • 13000-8000=5000

Dezelfde som als 13 − 5 = 8, maar duizend keer zo groot: 13000 − 5000 = 8000.

  • 2000-300=1700
  • 2000-1800=200

Net als 20 − 6 = 14, maar honderd keer zo groot: 2000 − 600 = 1400.

  • 20000-14000=6000
  • 20000-2000=18000

Net als 20 − 6 = 14, maar duizend keer zo groot: 20000 − 6000 = 14000.

Waarom dit belangrijk is

Hier zit de grote nieuwe stap van het aftrekken: terug over de tien. Bij 16 − 3 blijven de enen gewoon binnen het tiental, maar bij 16 − 9 moet uw kind voorbij de 10 terug. Dat is een andere handeling, en de oefeningen houden de twee soorten eerst uit elkaar voordat ze door elkaar komen.

Wie deze stap echt beheerst, heeft de sleutel voor al het aftrekken daarna. Bij 46 − 9 of 83 − 7 gebeurt precies hetzelfde, alleen een paar tientallen hoger. Hier wordt dus niet alleen tot twintig gerekend, er wordt een methode gelegd.

Zo pakt u het aan

De handigste route gaat in twee sprongen: eerst terug naar de tien, dan de rest eraf. Bij 14 − 6 haalt u eerst 4 weg, dan bent u op 10, en daarna nog 2, dus 8. Uw kind moet dan wel weten dat 6 te splitsen is in 4 en 2; daar komen de splitsingen van tien weer van pas.

Liggen de getallen dicht bij elkaar, zoals bij 12 − 9, dan is aanvullen sneller: van 9 naar 12 is 3. Moedig uw kind aan om bij elke som eerst te kijken welke van de twee wegen korter is. De oefening ‘Over de tien, of niet’ draait precies om dat kijkmoment.

Wanneer zit het erin?

Een ronde van 10 sommen in één keer zonder fouten, binnen 30 seconden. Dat is ongeveer 3 seconden per som: geen tellen meer, maar weten.