Draai hem om: ? + 5 = 13 is hetzelfde als 13 − 5.
Optellen tot 20
Optellen tot 20 oefenen, zonder en met de sprong over de tien, zoals 13 + 4 en 6 + 6: eerst twee getallen, dan meer en de balans, dan alles door elkaar.
Uw kind kan de oefeningen hier pas doen als optellen en aftrekken tot 10 vlot gaan en het weet waar de getallen op de getallenlijn liggen. Anders wordt de sprong over de tien een gok: wie bij 7 + 6 niet meteen weet dat 7 en 3 samen 10 zijn, telt alsnog op de vingers.
Meestal in het 1ste leerjaar in Vlaanderen en groep 3–4 in Nederland, rond 6 tot 8 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.
De eerste van 23 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal
Zo ziet het eruit voor uw kind
Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Over de tien.
Hoe het samenhangt
De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.
Eerst nodig
Optellen
Optellen tot 20
Twee getallen tot 20
Meer getallen en balans tot 20
Door elkaar tot 20
Alles samen
eerst dit, dan dat hoort bij
Twee getallen tot 20
Kies twee getallen die samen het antwoord maken
12 + 5: tel alleen de enen, 2 + 5 = 7, dus 17.
Maak eerst de tien vol: 8 + 5 = 8 + 2 + 3 = 13.
Draai hem om: ? + 5 = 17 is hetzelfde als 17 − 5.
Spring eerst naar het tiental: ? + 6 = 20 — van 6 naar 10 is 4, dan nog 10, dus 14.
Draai hem om: ? + 5 = 13 is hetzelfde als 13 − 5.
Kijk eerst: komen de enen samen boven de tien?
Meer getallen en balans tot 20
Zoek eerst getallen die samen een rond getal maken, zoals 7 + 3.
Reken één kant uit, en maak de andere kant even groot.
Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.
Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?
Zoek eerst getallen die samen een rond getal maken, zoals 7 + 3.
Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?
Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.
Door elkaar tot 20
Dezelfde som als 8 + 5 = 13, maar tien keer zo groot: 80 + 50 = 130.
Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?
Dezelfde som als 8 + 5 = 13, maar honderd keer zo groot: 800 + 500 = 1300.
Net als 6 + 14 = 20, maar tien keer zo groot: 60 + 140 = 200.
Dezelfde som als 8 + 5 = 13, maar duizend keer zo groot: 8000 + 5000 = 13000.
Net als 6 + 14 = 20, maar honderd keer zo groot: 600 + 1400 = 2000.
Net als 6 + 14 = 20, maar duizend keer zo groot: 6000 + 14000 = 20000.
Alles samen
Alles van dit onderwerp in één ronde van 60 sommen.
- Plus en min — Staat bij Aftrekken tot 20
- Plus en min: invullen — Staat bij Aftrekken tot 20
- Plus en min: grote ronde — Staat bij Aftrekken tot 20
- Snel: plus en min — Staat bij Aftrekken tot 20
- Plus en min: drie getallen — Staat bij Aftrekken tot 20
- Plus en min: balans — Staat bij Aftrekken tot 20
Waarom dit belangrijk is
Optellen tot twintig draait om één moment: de sprong over de tien. Bij 14 + 3 blijft alles in hetzelfde tiental, bij 9 + 4 moet uw kind erover. Wie dat moment snapt, heeft het belangrijkste idee van ons getallensysteem te pakken: tien losse worden samen één tiental.
Daarom houdt deze stap de twee soorten eerst gescheiden en mengt ze daarna. Uw kind leert niet alleen rekenen, maar ook vooraf inschatten wat er gaat gebeuren. Die inschatting komt bij elke optelling met grotere getallen terug, tot ver boven de honderd.
Zo pakt u het aan
Een eierdoos met tien vakjes is een goed beeld. Bij 7 + 6 zijn er na de zeven nog drie vakjes leeg; die vult u eerst, en dan blijven er drie over voor een nieuwe doos. Eén volle doos en drie los: 13. Uw kind ziet zo letterlijk wat ‘over de tien’ betekent.
Een tweede houvast zijn de dubbelen: 6 + 6, 7 + 7, 8 + 8. Kent uw kind die, dan is 7 + 8 gewoon ‘zeven plus zeven, en één meer’. Laat uw kind zelf ontdekken welke route het fijnst vindt; beide zijn goed, zolang het niet meer op de vingers hoeft te tellen.
Wanneer zit het erin?
Een ronde van 10 sommen in één keer zonder fouten, binnen 35 seconden. Dat is ongeveer 3,5 seconden per som: geen tellen meer, maar weten.