De maaltafels
Maaltafels oefenen, van 7 × 2 tot 9 × 18: alle maaltafels van 1 tot 20 en de deeltafels van 1 tot 10, in groepjes die eindigen met een ronde door elkaar.
Maaltafels 1–10
Ook in dit onderwerp
Maaltafels 1, 2 & 10
- Maaltafel van 1Maaltafel van 1 oefenen, van 8 × 1 tot 6 ÷ 1: keer 1 en gedeeld door 1 laten het getal wat het was. Eerst de maaltafel, dan de deeltafel.
- Maaltafel van 2Maaltafel van 2 oefenen, van 6 × 2 tot 18 ÷ 2: keer 2 is verdubbelen en de deeltafel is halveren. Eerst de maaltafel, dan de deeltafel.
- Maaltafel van 10Maaltafel van 10 oefenen, van 10 × 10 tot 90 ÷ 10: een nul erachter en weer eraf, eerst de maaltafel en dan de deeltafel.
Ook in dit onderwerp
Maaltafels 3, 4 & 5
- Maaltafel van 3Maaltafel van 3 oefenen, van 6 × 3 tot 21 ÷ 3: de eerste zonder handig trucje, eerst de maaltafel zelf en dan de deeltafel.
- Maaltafel van 4Maaltafel van 4 oefenen, van 3 × 4 tot 16 ÷ 4: keer 4 is twee keer verdubbelen, delen door 4 twee keer halveren. Eerst de maaltafel, dan de deeltafel.
- Maaltafel van 5Maaltafel van 5 oefenen, van 6 × 5 tot 9 × 5 en 20 ÷ 5: antwoorden die op 0 of 5 eindigen. Eerst de maaltafel, dan de deeltafel.
Ook in dit onderwerp
Maaltafels 6, 7, 8 & 9
- Maaltafel van 6Maaltafel van 6 oefenen, van 3 × 6 tot 9 × 6 en 18 ÷ 6: het dubbele van de maaltafel van 3, eerst de maaltafel en dan de deeltafel.
- Maaltafel van 7Maaltafel van 7 oefenen, van 9 × 7 tot 42 ÷ 7: de maaltafel die vaak het langst hapert, eerst zelf en dan als deeltafel, die hem nog eens herhaalt.
- Maaltafel van 8Maaltafel van 8 oefenen, van 5 × 8 tot 8 × 8 en 72 ÷ 8: drie keer verdubbelen of keer 10 min twee keer, eerst de maaltafel en dan de deeltafel.
- Maaltafel van 9Maaltafel van 9 oefenen, van 7 × 9 tot 54 ÷ 9: keer 10 min één keer, en antwoorden waarvan de cijfers samen 9 zijn. Eerst de maaltafel, dan de deeltafel.
Ook in dit onderwerp
Maaltafels 11–20
Ook in dit onderwerp
Maaltafels 11, 20 & 12
- Maaltafel van 11Maaltafel van 11 oefenen, van 6 × 11 = 66 tot 9 × 11 = 99: tot daar komt het cijfer twee keer, en vanaf 10 × 11 splitst uw kind in tiental en rest.
- Maaltafel van 12Maaltafel van 12 oefenen, zoals 3 × 12 = 36: keer 10 plus keer 2, de maaltafel van het dozijn, de maanden van het jaar en de uren op de klok.
- Maaltafel van 20Maaltafel van 20 oefenen, zoals 9 × 20 = 180: het dubbele met een nul erachter, en antwoorden tot 200 als oefening in honderdtallen.
Ook in dit onderwerp
Maaltafels 15, 13 & 14
- Maaltafel van 13Maaltafel van 13 oefenen, van 7 × 13 = 91 tot 8 × 13 = 104: tien keer plus drie keer, twee kleine sommen in plaats van één grote.
- Maaltafel van 14Maaltafel van 14 oefenen, van 6 × 14 = 84 tot 8 × 14 = 112: keer 10 plus keer 4, of het dubbele van de maaltafel van 7.
- Maaltafel van 15Maaltafel van 15 oefenen, van 5 × 15 = 75 tot 7 × 15 = 105: keer 10 plus de helft daarvan, de maaltafel van de kwartieren op de klok.
Ook in dit onderwerp
Maaltafels 19, 16, 17 & 18
- Maaltafel van 16Maaltafel van 16 oefenen, van 4 × 16 = 64 tot 6 × 16 = 96: vier keer verdubbelen of keer 10 plus keer 6, twee ingangen naar dezelfde som.
- Maaltafel van 17Maaltafel van 17 oefenen, van 6 × 17 = 102 tot 7 × 17 = 119: zeventien is tien en zeven, dus vooral netjes splitsen en optellen.
- Maaltafel van 18Maaltafel van 18 oefenen, van 3 × 18 = 54 tot 9 × 18 = 162: keer 20 min twee keer, of splitsen in tien en acht.
- Maaltafel van 19Maaltafel van 19 oefenen, van 6 × 19 = 114 tot 10 × 19 = 190: keer 20 en dan één keer eraf, korter dan het eruitziet.
Ook in dit onderwerp
Deeltafels 1–10
Ook in dit onderwerp
Deeltafels 1, 2 & 10
- Maaltafel van 1Maaltafel van 1 oefenen, van 8 × 1 tot 6 ÷ 1: keer 1 en gedeeld door 1 laten het getal wat het was. Eerst de maaltafel, dan de deeltafel.
- Maaltafel van 2Maaltafel van 2 oefenen, van 6 × 2 tot 18 ÷ 2: keer 2 is verdubbelen en de deeltafel is halveren. Eerst de maaltafel, dan de deeltafel.
- Maaltafel van 10Maaltafel van 10 oefenen, van 10 × 10 tot 90 ÷ 10: een nul erachter en weer eraf, eerst de maaltafel en dan de deeltafel.
Ook in dit onderwerp
Deeltafels 3, 4 & 5
- Maaltafel van 3Maaltafel van 3 oefenen, van 6 × 3 tot 21 ÷ 3: de eerste zonder handig trucje, eerst de maaltafel zelf en dan de deeltafel.
- Maaltafel van 4Maaltafel van 4 oefenen, van 3 × 4 tot 16 ÷ 4: keer 4 is twee keer verdubbelen, delen door 4 twee keer halveren. Eerst de maaltafel, dan de deeltafel.
- Maaltafel van 5Maaltafel van 5 oefenen, van 6 × 5 tot 9 × 5 en 20 ÷ 5: antwoorden die op 0 of 5 eindigen. Eerst de maaltafel, dan de deeltafel.
Ook in dit onderwerp
Deeltafels 6, 7, 8 & 9
- Maaltafel van 6Maaltafel van 6 oefenen, van 3 × 6 tot 9 × 6 en 18 ÷ 6: het dubbele van de maaltafel van 3, eerst de maaltafel en dan de deeltafel.
- Maaltafel van 7Maaltafel van 7 oefenen, van 9 × 7 tot 42 ÷ 7: de maaltafel die vaak het langst hapert, eerst zelf en dan als deeltafel, die hem nog eens herhaalt.
- Maaltafel van 8Maaltafel van 8 oefenen, van 5 × 8 tot 8 × 8 en 72 ÷ 8: drie keer verdubbelen of keer 10 min twee keer, eerst de maaltafel en dan de deeltafel.
- Maaltafel van 9Maaltafel van 9 oefenen, van 7 × 9 tot 54 ÷ 9: keer 10 min één keer, en antwoorden waarvan de cijfers samen 9 zijn. Eerst de maaltafel, dan de deeltafel.
Ook in dit onderwerp
Hoe het samenhangt
De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.
Eerst nodig
Vermenigvuldigen
De maaltafels
Maaltafels 1–10
Maaltafels 11–20
Maaltafels 19, 16, 17 & 18
Deeltafels 1–10
eerst dit, dan dat hoort bij
Waarom dit belangrijk is
De maaltafels zijn de feiten waar vermenigvuldigen en delen op draaien. Wie 7 × 8 nog moet uitrekenen, verliest bij een grotere som al snel het overzicht. Weet uw kind meteen dat het 56 is, dan blijft de aandacht bij de rest van de som.
De deeltafels horen erbij: 56 ÷ 8 is dezelfde kennis, andersom gevraagd. Daarom staat bij elke maaltafel van 1 tot 10 de deeltafel op dezelfde pagina. De maaltafels van 11 tot 20 komen later en bouwen op de eerste tien: 14 × 6 is 10 × 6 plus 4 × 6.
Zo pakt u het aan
De volgorde begint bij de makkelijkste: eerst 1, 2 en 10, dan 3, 4 en 5, daarna 6, 7, 8 en 9. Die drie groepen sluiten elk af met een ronde door elkaar, zodat uw kind een maaltafel niet alleen op volgorde kan opzeggen maar elk feit ook los kan oproepen.
Veel maaltafels lenen van elkaar. De maaltafel van 4 is het dubbele van die van 2, de maaltafel van 5 is de helft van die van 10, en 9 keer een getal is 10 keer dat getal min één keer. Wijs uw kind op die verbanden; er blijken veel minder losse feiten te zijn dan het lijkt.
Eerst nodig
- Maaltafel van 1
- Maaltafel van 2
- Maaltafel van 3
- Maaltafel van 4
- Maaltafel van 5
- Maaltafel van 6
- Maaltafel van 7
- Maaltafel van 8
- Maaltafel van 9
- Maaltafel van 10
- Maaltafel van 11
- Maaltafel van 12
- Maaltafel van 13
- Maaltafel van 14
- Maaltafel van 15
- Maaltafel van 16
- Maaltafel van 17
- Maaltafel van 18
- Maaltafel van 19
- Maaltafel van 20