Elk antwoord is het vorige plus 11.
Maaltafel van 11
Maaltafel van 11 oefenen, van 6 × 11 = 66 tot 9 × 11 = 99: tot daar komt het cijfer twee keer, en vanaf 10 × 11 splitst uw kind in tiental en rest.
Uw kind kan de oefeningen hier pas doen als de maaltafels van 1 en 10 zitten. Het patroon van 66 en 99 is pas te begrijpen als 6 × 11 gezien wordt als 6 × 10 plus 6 × 1, en die twee stukken moeten dan meteen komen.
Meestal in het 4de–6de leerjaar in Vlaanderen en groep 6–8 in Nederland, rond 9 tot 12 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.
De eerste van 3 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal
Zo ziet het eruit voor uw kind
Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Door elkaar.
Hoe het samenhangt
De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.
Eerst nodig
Maaltafels 11, 20 & 12
Maaltafel van 11
eerst dit, dan dat hoort bij
Keer 11 is keer 10 plus keer 1: 7 × 11 = 70 + 7.
Welk getal keer 11 geeft het antwoord? Zeg de maaltafel op tot je het hoort.
Waarom dit belangrijk is
De maaltafel van 11 is een prettige start van de grote maaltafels. Tot en met 9 × 11 is het patroon goed te zien, want het getal komt twee keer: 4 × 11 = 44. Dat geeft vertrouwen, en daarna komt het belangrijke idee achter alle maaltafels boven de tien: splits het getal in een tiental en de rest.
Zo pakt u het aan
Leg uit waarom het patroon klopt: 11 is 10 + 1, dus 6 × 11 is 60 + 6, en dat schrijft u als 66. Wie dat begrijpt, weet ook wat er bij 10 × 11 gebeurt: 100 + 10 = 110, en daar herhaalt geen cijfer zich meer.
Bij de invulsommen zoekt uw kind welk getal keer 11 het antwoord geeft. Bij 88 is dat aan het dubbele cijfer af te lezen: 8.
Wanneer zit het erin?
Een ronde van 10 sommen in één keer zonder fouten, binnen 35 seconden. Dat is ongeveer 3,5 seconden per som: geen tellen meer, maar weten.