Maqqii Een gebalanceerd netwerk van rekenvaardigheden voor kinderen op de lagere school Oefenen

Optellen tot 30

Optellen tot 30 oefenen, van 25 + 1 tot 19 + 3 en 18 + 12: over het tweede tiental heen, met meer getallen, de balans en alles door elkaar.

Uw kind kan de oefeningen hier pas doen als het tot 20 kan optellen en aftrekken, ook over de tien heen. Hier blijkt of die sprong echt begrepen is: wie hem alleen bij de 10 heeft geleerd, loopt bij 18 + 7 over de 20 meteen vast.

Meestal in het 2de leerjaar in Vlaanderen en groep 4 in Nederland, rond 7 tot 8 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.

Twee getallen tot 30
  • 1+26=27
  • 7+15=22

De eerste van 22 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal

Zo ziet het eruit voor uw kind

Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Over de tien.

1 Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
2 Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
3 Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
4 Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.
Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.

Hoe het samenhangt

De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.

eerst dit, dan dat hoort bij

Twee getallen tot 30

  • 1+26=27
  • 7+15=22

Kies twee getallen die samen het antwoord maken

  • 25+1=26
  • 21+8=29

21 + 6: tel alleen de enen, 1 + 6 = 7, dus 27.

  • 12+9=21
  • 19+1=20

Spring eerst naar het tiental: 17 + 5 = 17 + 3 + 2 = 22.

  • 23+1=24
  • 26+3=29

Draai hem om: ? + 6 = 27 is hetzelfde als 27 − 6.

  • 18+12=30
  • 28+2=30

Hoeveel mist er tot 30? ? + 22 = 30: van 22 naar 30 is 8.

  • 19+3=22
  • 18+2=20

Draai hem om: ? + 5 = 22 is hetzelfde als 22 − 5.

  • 29+1=30
  • 20+9=29

Kijk eerst: komen de enen samen boven de tien?

Meer getallen en balans tot 30

  • 25+1+2=28
  • 11+4+14=29

Zoek eerst getallen die samen een rond getal maken, zoals 7 + 3.

  • 25+4=22+7
  • 18+8=5+21

Reken één kant uit, en maak de andere kant even groot.

  • 15+4+3=22
  • 10+8+9=27

Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.

  • 7+11+5=23
  • 4+1+23=28

Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?

  • 1+1+7+15=24
  • 2+5+2+12=21

Zoek eerst getallen die samen een rond getal maken, zoals 7 + 3.

  • 9+20=24+5
  • 27+2=26+3

Eén minuut, zo veel sommen als het lukt. Niet nodig om verder te komen, wel leuk om sneller te worden.

  • 2+3+1+17=23
  • 2+3+11+11=27

Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.

Door elkaar tot 30

  • 180+80=260
  • 180+30=210

Dezelfde som als 17 + 5 = 22, maar tien keer zo groot: 170 + 50 = 220.

  • 28+2=30
  • 15+5=20

Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.

  • 2800+200=3000
  • 1800+200=2000

Dezelfde som als 17 + 5 = 22, maar honderd keer zo groot: 1700 + 500 = 2200.

  • 130+170=300
  • 150+150=300

Net als 12 + 18 = 30, maar tien keer zo groot: 120 + 180 = 300.

  • 24000+6000=30000
  • 18000+7000=25000

Dezelfde som als 17 + 5 = 22, maar duizend keer zo groot: 17000 + 5000 = 22000.

  • 2600+400=3000
  • 1600+1400=3000

Net als 12 + 18 = 30, maar honderd keer zo groot: 1200 + 1800 = 3000.

  • 3000+27000=30000
  • 17000+13000=30000

Net als 12 + 18 = 30, maar duizend keer zo groot: 12000 + 18000 = 30000.

Alles samen

  • 160+140=300
  • 18+5=23

Alles van dit onderwerp in één ronde van 50 sommen.

Waarom dit belangrijk is

Na twintig blijkt of de sprong over de tien echt begrepen is. Bij 18 + 7 gaat het over de 20 heen in plaats van over de 10, en een kind dat het trucje alleen bij de tien heeft geleerd, merkt dat hier meteen. Het doel van deze stap is dat de methode losraakt van één bepaald getal.

Ook de grote sommen met honderdtallen en duizendtallen leunen hierop. 180 + 70 is niets anders dan 18 + 7 met een nul erachter. Zo bouwt elke stap een beetje verder, zonder dat er in één keer veel nieuws bij komt.

Zo pakt u het aan

Een getallenlijn op papier helpt hier goed. Teken een streep met 10, 20 en 30 erop, en laat uw kind bij 16 + 8 de sprongen tekenen: van 16 naar 20 is 4, dan nog 4 erbij, dus 24. Wie de sprongen ziet, onthoudt ze beter dan wie ze alleen hoort.

Laat uw kind vóór het rekenen ook eens schatten: wordt het meer of minder dan twintig? Bij 13 + 9 weet u meteen dat het boven de twintig uitkomt, en een antwoord als 12 valt dan vanzelf op als fout. Dat korte moment van schatten vangt veel slordigheidsfouten.

Wanneer zit het erin?

Als uw kind alle 10 sommen foutloos maakt in 40 seconden of minder. Zo vlot gaat het pas wanneer de antwoorden uit het geheugen komen.