Keer 3: drie keer 0, 1, 2, 3, 4, 5 en 6.
Vermenigvuldigen tot 20
Vermenigvuldigen tot 20 oefenen, van 6 × 2 tot 5 × 3: het drievoud, keersommen tot 20 en een ronde met plus, min, keer en delen door elkaar.
Uw kind kan hier beginnen zodra vermenigvuldigen en delen tot 10 zitten; voor de latere oefeningen komen delen en aftrekken tot 20 erbij. In de ronde met alle vier de bewerkingen moet het eerst het teken lezen en dan pas rekenen, en dat lukt alleen als geen van de vier nog al zijn aandacht opeist.
Meestal in het 2de leerjaar in Vlaanderen en groep 4–5 in Nederland, rond 7 tot 9 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.
De eerste van 14 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal
Zo ziet het eruit voor uw kind
Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Het drievoud.
Hoe het samenhangt
De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.
Vermenigvuldigen
Vermenigvuldigen tot 20
eerst dit, dan dat hoort bij
Keer is vaker hetzelfde getal: 3 × 4 = 4 + 4 + 4.
Welk getal keer 3 geeft het antwoord? Tel in stappen van 3.
Dezelfde sommen, maar elke keer een ander getal weg: de uitkomst of een van de twee getallen.
Eén minuut, zo veel sommen als het lukt. Niet nodig om verder te komen, wel leuk om sneller te worden.
Kijk eerst goed naar het teken.
Delen is de maaltafel terug: 12 ÷ 3 — welk getal keer 3 is 12?
Dezelfde sommen tot 20, maar dan met nullen erachter: weet je dat 8 × 2 = 16, dan weet je ook 80 × 2 = 160 en 80 × 20 = 1600.
Welke twee getallen geven deze uitkomst? De volgorde maakt niet uit.
Alles van dit onderwerp in één ronde van 30 sommen.
Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.
30 sommen achter elkaar, alles gemengd: de proef op de som.
Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.
Alles van dit onderwerp in één ronde van 30 sommen.
Waarom dit belangrijk is
Tot 20 komt het drievoud erbij, en worden de keersommen net te groot om nog op de vingers te tellen. Dat is de bedoeling: uw kind gaat steunen op wat het al weet. Wie 2 × 7 = 14 kent, vindt 3 × 7 door er nog één zeven bij te doen.
In de ronde met alle vier de bewerkingen door elkaar moet eerst het teken gelezen worden, en pas dan gerekend. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar het is een vaardigheid op zich, en hij komt terug bij elk werkblad waar sommen door elkaar staan.
Zo pakt u het aan
Bouw verder op het dubbele. 3 × 6 is het dubbele van 6 plus nog een zes: 12 + 6 = 18. Zeg die tussenstap in het begin hardop; na een tijd slaat uw kind hem vanzelf over.
Voor het drievoud zelf werkt tellen in sprongen goed: 3, 6, 9, 12, 15, 18. Zo'n reeks kunt u opzeggen op de trap, in de auto of bij het dekken van de tafel. Wat uw kind in het dagelijks leven een paar keer hoort, zit er vaak sneller in dan wat alleen op het scherm staat.
Wanneer zit het erin?
Als uw kind alle 10 sommen foutloos maakt in 25 seconden of minder. Zo vlot gaat het pas wanneer de antwoorden uit het geheugen komen.