Maqqii Een gebalanceerd netwerk van rekenvaardigheden voor kinderen op de lagere school Oefenen

Vermenigvuldigen tot 30

Voorbij de gewone maaltafels: het dubbele van 11 tot 15 en keersommen tot 30 door te splitsen.

Uw kind kan hier beginnen zodra het tot 20 kan vermenigvuldigen en delen; voor de latere oefeningen komt delen tot 30 erbij. Een som als 2 × 14 staat in geen enkele maaltafel, dus uw kind deelt hem op in 2 × 10 en 2 × 4, en die stukjes moeten dan zonder nadenken komen.

Meestal in het 2de leerjaar in Vlaanderen en groep 4–5 in Nederland, rond 7 tot 9 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.

  • 15→30
  • 13→26

De eerste van 11 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal

Zo ziet het eruit voor uw kind

Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Het dubbele.

1 Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
2 Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
3 Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
4 Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.
Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.

Hoe het samenhangt

De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.

eerst dit, dan dat hoort bij

  • 15→30
  • 13→26

Keer 2: het dubbele van 11 tot 15.

  • 10×3=30
  • 9×3=27

Splits het grote getal: 2 × 13 = 2 × 10 + 2 × 3.

  • 14→28
  • 11→22

Het dubbele terug is de helft: ? → 28, dus de helft van 28.

  • 2×12=24
  • 9×3=27

Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.

  • 6×4=24
  • 7×4=28

Delen is de maaltafel terug: 24 ÷ 3 — welk getal keer 3 is 24?

  • 4×6=24
  • 6×5=30

Dezelfde sommen, maar elke keer een ander getal weg: de uitkomst of een van de twee getallen.

  • 6×4=24
  • 9×3=27

30 sommen achter elkaar, alles gemengd: de proef op de som.

  • 24÷6=4
  • 10×3=30

Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?

  • 1000×300=300000
  • 80×30=2400

Dezelfde sommen tot 30, maar dan met nullen erachter: weet je dat 8 × 2 = 16, dan weet je ook 80 × 2 = 160 en 80 × 20 = 1600.

  • 5×5=25
  • 5×6=30

Welke twee getallen geven deze uitkomst? De volgorde maakt niet uit.

  • 4×6=24
  • 20×13=260

Alles van dit onderwerp in één ronde van 30 sommen.

Waarom dit belangrijk is

Tot 30 duiken sommen op die in geen enkele maaltafel van 1 tot 10 staan, zoals 2 × 14. Die haalt uw kind niet uit het geheugen; ze moeten slim worden uitgerekend. Daarmee verschuift het oefenen van onthouden naar redeneren.

De rondes met tien- en honderdtallen reiken hier tot ver in de duizenden. 3 × 4 = 12 en 300 × 40 = 12000 volgen hetzelfde patroon; alleen de nullen verschillen. Wie dat eenmaal ziet, schrikt niet meer van een som met een lange staart.

Zo pakt u het aan

De sleutel heet splitsen: haal het grote getal uit elkaar in tientallen en enen. 2 × 14 wordt 2 × 10 en 2 × 4, samen 20 + 8 = 28. Laat die twee stukjes in het begin onder elkaar opschrijven, zodat er niets zoekraakt.

Bij de deelsommen helpt een zin: hoe vaak past 4 in 28? Kan uw kind die vraag beantwoorden, dan begrijpt het meteen waarom 28 ÷ 4 = 7 en 7 × 4 = 28 over hetzelfde gaan.

Wanneer zit het erin?

Foutloos door de hele ronde van 10, en samen niet langer dan 30 seconden. Rond de 3 seconden per som laat zien dat er niet meer geteld wordt.