Keer 2: het dubbele van 16 tot 25.
Vermenigvuldigen tot 50
Vermenigvuldigen tot 50 oefenen, van 8 × 5 tot 2 × 23 en 80 × 50: het dubbele van 16 tot 25, keersommen tot 50 en grote getallen met nullen.
Uw kind kan hier beginnen zodra vermenigvuldigen en delen tot 30 goed gaan. Hier komen taaie sommen als 6 × 8 en 7 × 7 voorbij, en die blijven beter hangen bij een kind dat de kleinere al van twee kanten kent: als keersom en als deelsom.
Meestal in het 2de–3de leerjaar in Vlaanderen en groep 5 in Nederland, rond 8 tot 9 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.
De eerste van 8 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal
Zo ziet het eruit voor uw kind
Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Het dubbele.
Hoe het samenhangt
De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.
Eerst nodig
Vermenigvuldigen
Kan daarna
eerst dit, dan dat hoort bij
Splits het grote getal: 3 × 12 = 3 × 10 + 3 × 2.
Het dubbele terug is de helft: ? → 46, dus de helft van 46.
Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?
Dezelfde sommen, maar elke keer een ander getal weg: de uitkomst of een van de twee getallen.
Dezelfde sommen tot 50, maar dan met nullen erachter: weet je dat 8 × 2 = 16, dan weet je ook 80 × 2 = 160 en 80 × 20 = 1600.
Welke twee getallen geven deze uitkomst? De volgorde maakt niet uit.
Alles van dit onderwerp in één ronde van 30 sommen.
- Keer en delen — Staat bij Delen tot 50
- Keer en delen: grote ronde — Staat bij Delen tot 50
- Snel: keer en delen — Staat bij Delen tot 50
Waarom dit belangrijk is
Het dubbele van 16 tot 25 lijkt een rijtje, maar het is splitsen in vermomming. Het dubbele van 23 is het dubbele van 20 plus het dubbele van 3. Wie dat vlot kan, heeft gereedschap voor bijna elke keersom die nog komt.
Tot 50 komen ook de taaiere tafelsommen langs, zoals 6 × 8 en 7 × 7. Juist die blijven bij veel kinderen het langst haperen, dus elke extra keer dat ze voorbijkomen telt.
Zo pakt u het aan
Bij het dubbele werkt een vaste volgorde: eerst de tientallen, dan de enen, dan optellen. Bij 19 is dat 20 en 18, samen 38. Na een week of wat gaat dat zonder hardop te tellen.
Voor de sommen die steeds misgaan kunt u uw kind zelf een ezelsbruggetje laten bedenken. Een rijmpje, een beeld, een grap: het maakt niet uit wat, zolang het van uw kind zelf komt. Een geheugensteun die een kind zelf verzon, blijft beter hangen dan een die het kreeg.
Wanneer zit het erin?
Als uw kind alle 10 sommen foutloos maakt in 30 seconden of minder. Zo vlot gaat het pas wanneer de antwoorden uit het geheugen komen.