Maqqii Een gebalanceerd netwerk van rekenvaardigheden voor kinderen op de lagere school Oefenen

Delen tot 50

Delen tot 50 oefenen, van 36 ÷ 4 tot 4200 ÷ 600: halveren tot 50, deelsommen tot 50 en een ronde met keer en delen door elkaar.

Uw kind kan hier beginnen zodra delen tot 30 zit en het tot 50 kan vermenigvuldigen. Deelsommen als 42 ÷ 6 en 48 ÷ 8 zijn de taaie keersommen van de andere kant, en in de ronde waarin het teken bij elke som wisselt, houdt alleen wie de keersom al kent het verband vast.

Meestal in het 3de leerjaar in Vlaanderen en groep 5 in Nederland, rond 8 tot 9 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.

  • 46→23
  • 38→19

De eerste van 11 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal

Zo ziet het eruit voor uw kind

Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: De helft.

1 Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
2 Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
3 Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
4 Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.
Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.

Hoe het samenhangt

De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.

eerst dit, dan dat hoort bij

  • 46→23
  • 38→19

Delen door 2: de helft van 32 tot 50.

  • 42→21
  • 48→24

De helft terug is het dubbele: ? → 23, dus 23 + 23.

  • 50÷10=5
  • 42÷7=6

Delen is de maaltafel terug: 36 ÷ 4 — welk getal keer 4 is 36?

  • 36÷4=9
  • 36÷9=4

Dezelfde sommen, maar elke keer een ander getal weg: het antwoord, de deler, of het getal dat je deelt.

  • 48÷2=24
  • 36÷3=12

Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.

  • 36÷6=6
  • 4×10=40

Delen is de maaltafel terug: 36 ÷ 4 — welk getal keer 4 is 36?

  • 4200÷600=7
  • 5000÷10=500

Dezelfde sommen tot 50, maar dan met nullen erachter: weet je dat 8 ÷ 2 = 4, dan weet je ook 80 ÷ 20 = 4, 800 ÷ 200 = 4 en 800 ÷ 2 = 400.

  • 50÷5=10
  • 48÷8=6

Welke twee getallen geven deze uitkomst? Tik ze in de goede volgorde aan.

  • 36÷6=6
  • 10×4=40

30 sommen achter elkaar, alles gemengd: de proef op de som.

  • 7×6=42
  • 36÷9=4

Eén minuut, zo veel sommen als het lukt. Niet nodig om verder te komen, wel leuk om sneller te worden.

  • 440÷4=110
  • 49÷7=7

30 sommen achter elkaar, alles gemengd: de proef op de som.

Waarom dit belangrijk is

Bij deze stap krijgen de grotere tafelsommen hun deelsom: 42 ÷ 6, 48 ÷ 8, 45 ÷ 5. Dat zijn juist de feiten die bij vermenigvuldigen het langst blijven haperen, dus ze van twee kanten oefenen helpt dubbel.

In de ronde met keer en delen door elkaar wisselt het teken bij elke som. Uw kind moet telkens kiezen welke kant het op rekent, en daardoor wordt het verband tussen de twee bewerkingen stevig.

Zo pakt u het aan

Maak er een kaartspel van: op de voorkant 6 × 7, op de achterkant 42 ÷ 7 en 42 ÷ 6. Zo horen bij elke keersom twee deelsommen, en leert uw kind ze als één familie kennen.

Bij het halveren helpen ronde getallen als ankers: de helft van 40 is 20, van 50 is 25. Bij 38 wordt het de helft van 30 en de helft van 8, dus 15 + 4 = 19.

Wanneer zit het erin?

Als uw kind alle 10 sommen foutloos maakt in 30 seconden of minder. Zo vlot gaat het pas wanneer de antwoorden uit het geheugen komen.