Delen
Delen oefenen, van 10 ÷ 5 tot 96 ÷ 6: de helft, deelsommen uit de maaltafels en sommen met ronde getallen, in vijf stappen tot 100.
- Delen tot 10Delen tot 10 oefenen, van 2 ÷ 2 tot 9 ÷ 3 en 40 ÷ 2: de helft, de eerste deelsommen en kleine aantallen eerlijk verdelen.
- Delen tot 20Delen tot 20 oefenen, van 20 ÷ 2 tot 18 ÷ 6 en 200 ÷ 5: halveren tot 20 en deelsommen die steunen op de maaltafels tot 20.
- Delen tot 30Delen tot 30 oefenen, van 25 ÷ 5 tot 28 ÷ 4 en 270 ÷ 9: de helft van 22 tot 30 en deelsommen tot 30, tot in de honderdtallen.
- Delen tot 50Delen tot 50 oefenen, van 36 ÷ 4 tot 4200 ÷ 600: halveren tot 50, deelsommen tot 50 en een ronde met keer en delen door elkaar.
- Delen tot 100Delen tot 100 oefenen, van 60 ÷ 6 tot 84 ÷ 6: deelsommen tot 100, de helft van 52 tot 100 en alle vier de bewerkingen in één ronde.
- De maaltafelsMaaltafels oefenen, van 7 × 2 tot 9 × 18: alle maaltafels van 1 tot 20 en de deeltafels van 1 tot 10, in groepjes die eindigen met een ronde door elkaar.
Ook in dit onderwerp
Hoe het samenhangt
De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.
eerst dit, dan dat hoort bij
Waarom dit belangrijk is
Delen is eerlijk verdelen: twaalf snoepjes over drie kinderen. Rekenkundig is het vooral de omgekeerde vraag van vermenigvuldigen. Wie weet dat 4 × 3 = 12, weet daarmee ook dat 12 ÷ 3 = 4.
Daarom groeit delen in Maqqii gelijk op met vermenigvuldigen, stap voor stap tot 100. Het is nodig bij breuken, bij gemiddelden en bij elke vraag die begint met 'hoeveel per'.
Zo pakt u het aan
Elke stap opent met de helft, omdat delen door 2 het makkelijkst te begrijpen is: iets in tweeën. Daarna volgen deelsommen uit de maaltafels, sommen met ronde tientallen en honderdtallen, en sommen waarin uw kind zelf het getal en de deler kiest.
Stel bij delen steeds de keervraag. 35 ÷ 5 wordt: welk getal keer 5 is 35? Zo hoeft er niets nieuws uit het hoofd geleerd te worden; uw kind gebruikt de maaltafels die er al zitten.