Maqqii Een gebalanceerd netwerk van rekenvaardigheden voor kinderen op de basisschool Oefenen

Tafel van 1

Tafel van 1 oefenen, van 8 × 1 tot 6 ÷ 1: keer 1 en gedeeld door 1 laten het getal wat het was. Eerst de tafel, dan de deeltafel.

Hier begint het: voor de tafel van 1 hoeft er niets anders eerst te zitten. Wat uw kind hier ziet, dat één groepje van 8 gewoon 8 is, is waar de tafel van 10 op voortbouwt, en met die twee samen later de 11.

Meestal in groep 4 in Nederland en het 2de leerjaar in Vlaanderen, rond 7 tot 8 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.

Tafel van 1
  • 1×1=1
  • 2×1=2

De eerste van 6 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal

Zo ziet het eruit voor uw kind

Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Door elkaar.

1 Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
2 Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
3 Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
4 Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.
Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.

Hoe het samenhangt

De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.

Tafels 1, 2 & 10

Tafel van 1

Deeltafel van 1

eerst dit, dan dat hoort bij

Tafel van 1

  • 1×1=1
  • 2×1=2

Elk antwoord is het vorige plus 1.

  • 8×1=8
  • 2×1=2

Keer 1 verandert niets: 7 × 1 = 7.

  • 2×1=2
  • 4×1=4

Welk getal keer 1 geeft het antwoord? Zeg de tafel op tot je het hoort.

Deeltafel van 1

  • 4÷1=4
  • 10÷1=10

Welk getal keer 1 is het? Zoek het in de tafel van 1.

  • 2÷1=2
  • 9÷1=9

Het getal dat gedeeld werd is het antwoord keer 1.

  • 6÷1=6
  • 2÷1=2

Uitrekenen en invullen door elkaar: eerst kijken waar het gat zit.

Waarom dit belangrijk is

De tafel van 1 lijkt te makkelijk om te oefenen, en eigenlijk is hij dat ook. Toch leert hij iets wat later steeds terugkomt: één groepje van 8 is gewoon 8. Wie dat begrijpt, snapt waarom 1 × 9 en 9 × 1 hetzelfde zijn, en ziet ook bij grote sommen meteen dat er met een 1 niets te rekenen valt.

Zo pakt u het aan

Hardop zeggen helpt: drie keer één is drie, zes keer één is zes. Na een paar rondes gaat dat zonder nadenken, en meer is er bij deze tafel niet nodig.

De deeltafel is dezelfde regel achterstevoren. 5 ÷ 1 vraagt hoeveel groepjes van één er in 5 passen, en dat zijn er precies vijf. Wie dat eenmaal ziet, struikelt er later in een lange deelsom niet meer over.

Wanneer zit het erin?

Foutloos door de hele ronde van 10, en samen niet langer dan 20 seconden. Rond de 2 seconden per som laat zien dat er niet meer geteld wordt.