Keer 2: het dubbele van 11 tot 15.
Vermenigvuldigen tot 30
Vermenigvuldigen tot 30 oefenen, van 6 × 4 tot 2 × 12: het dubbele van 11 tot 15, keersommen door te splitsen en ronde getallen als 1000 × 300.
Uw kind kan hier beginnen zodra het tot 20 kan vermenigvuldigen en delen; voor de latere oefeningen komt delen tot 30 erbij. Een som als 2 × 14 staat in geen enkele tafel, dus uw kind deelt hem op in 2 × 10 en 2 × 4, en die stukjes moeten dan zonder nadenken komen.
Meestal in groep 4–5 in Nederland en het 2de leerjaar in Vlaanderen, rond 7 tot 9 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.
De eerste van 11 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal
Zo ziet het eruit voor uw kind
Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Het dubbele.
Hoe het samenhangt
De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.
Vermenigvuldigen
Vermenigvuldigen tot 30
Kan daarna
eerst dit, dan dat hoort bij
Splits het grote getal: 2 × 13 = 2 × 10 + 2 × 3.
Het dubbele terug is de helft: ? → 28, dus de helft van 28.
Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.
Delen is de tafel terug: 24 ÷ 3 — welk getal keer 3 is 24?
Dezelfde sommen, maar elke keer een ander getal weg: de uitkomst of een van de twee getallen.
30 sommen achter elkaar, alles gemengd: de proef op de som.
Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?
Dezelfde sommen tot 30, maar dan met nullen erachter: weet je dat 8 × 2 = 16, dan weet je ook 80 × 2 = 160 en 80 × 20 = 1600.
Welke twee getallen geven deze uitkomst? De volgorde maakt niet uit.
Alles van dit onderwerp in één ronde van 30 sommen.
Waarom dit belangrijk is
Tot 30 duiken sommen op die in geen enkele tafel van 1 tot 10 staan, zoals 2 × 14. Die haalt uw kind niet uit het geheugen; ze moeten slim worden uitgerekend. Daarmee verschuift het oefenen van onthouden naar redeneren.
De rondes met tien- en honderdtallen reiken hier tot ver in de duizenden. 3 × 4 = 12 en 300 × 40 = 12000 volgen hetzelfde patroon; alleen de nullen verschillen. Wie dat eenmaal ziet, schrikt niet meer van een som met een lange staart.
Zo pakt u het aan
De sleutel heet splitsen: haal het grote getal uit elkaar in tientallen en enen. 2 × 14 wordt 2 × 10 en 2 × 4, samen 20 + 8 = 28. Laat die twee stukjes in het begin onder elkaar opschrijven, zodat er niets zoekraakt.
Bij de deelsommen helpt een zin: hoe vaak past 4 in 28? Kan uw kind die vraag beantwoorden, dan begrijpt het meteen waarom 28 ÷ 4 = 7 en 7 × 4 = 28 over hetzelfde gaan.
Wanneer zit het erin?
Foutloos door de hele ronde van 10, en samen niet langer dan 30 seconden. Rond de 3 seconden per som laat zien dat er niet meer geteld wordt.