Delen door 2: de helft van 12, 14, 16, 18 en 20.
Delen tot 20
Delen tot 20 oefenen, van 20 ÷ 2 tot 18 ÷ 6 en 200 ÷ 5: halveren tot 20 en deelsommen die steunen op de tafels tot 20.
Uw kind kan hier beginnen zodra delen tot 10 zit; voor de latere oefeningen komt vermenigvuldigen tot 20 erbij. Halveren tot 20 lukt nog zonder, maar 18 ÷ 3 gaat snel als uw kind weet dat 6 × 3 = 18, en traag als het moet tellen.
Meestal in groep 5 in Nederland en het 2de–3de leerjaar in Vlaanderen, rond 8 tot 9 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.
De eerste van 8 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal
Zo ziet het eruit voor uw kind
Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: De helft.
Hoe het samenhangt
De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.
Eerst nodig
Delen
eerst dit, dan dat hoort bij
De helft terug is het dubbele: ? → 7, dus 7 + 7.
Delen is de tafel terug: 12 ÷ 4 — welk getal keer 4 is 12?
Dezelfde sommen, maar elke keer een ander getal weg: het antwoord, de deler, of het getal dat je deelt.
Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?
Dezelfde sommen tot 20, maar dan met nullen erachter: weet je dat 8 ÷ 2 = 4, dan weet je ook 80 ÷ 20 = 4 en 80 ÷ 2 = 40.
Welke twee getallen geven deze uitkomst? Tik ze in de goede volgorde aan.
Een lange ronde van 30 sommen door elkaar, als afsluiter.
- Plus, min, keer en delen — Staat bij Vermenigvuldigen tot 20
- Keer en delen — Staat bij Vermenigvuldigen tot 20
- Alle vier: grote ronde — Staat bij Vermenigvuldigen tot 20
- Snel: alle vier — Staat bij Vermenigvuldigen tot 20
- Keer en delen: grote ronde — Staat bij Vermenigvuldigen tot 20
- Snel: keer en delen — Staat bij Vermenigvuldigen tot 20
Waarom dit belangrijk is
Tot 20 worden de getallen te groot om nog met knikkers uit te leggen, en dat dwingt tot het gebruiken van de tafels. 18 ÷ 3 gaat snel als het kind weet dat 6 × 3 = 18, en traag als het moet tellen. Precies dat verschil maakt deze stap waardevol.
De helft van 12 tot 20 is daarnaast een eerste kennismaking met splitsen bij delen. De helft van 16 is de helft van 10 plus de helft van 6: 5 + 3 = 8.
Zo pakt u het aan
Vraag bij elke deelsom eerst naar de keersom die erbij hoort. 14 ÷ 7 = 2, want 2 × 7 = 14. In het begin kost dat een paar seconden extra, maar zo wordt delen geen losse rij feitjes.
Bij een som als 160 ÷ 8 kunt u samen puzzelen: haal de nul weg, reken 16 ÷ 8 = 2, en zet de nul terug. Na een paar keer ziet uw kind het patroon zonder hulp.
Wanneer zit het erin?
Als uw kind alle 10 sommen foutloos maakt in 20 seconden of minder. Zo vlot gaat het pas wanneer de antwoorden uit het geheugen komen.