Maqqii Een gebalanceerd netwerk van rekenvaardigheden voor kinderen op de basisschool Oefenen

Delen tot 10

Delen tot 10 oefenen, van 2 ÷ 2 tot 9 ÷ 3 en 40 ÷ 2: de helft, de eerste deelsommen en kleine aantallen eerlijk verdelen.

Uw kind kan hier beginnen zodra het tot 10 kan aftrekken; voor de latere oefeningen komen de keersommen tot 10 erbij. De helft vinden lukt nog door eerlijk te verdelen, maar 10 ÷ 5 is pas geen raadsel voor wie weet dat 2 × 5 = 10, en zonder dat feit blijft er alleen tellen over.

Meestal in groep 4–5 in Nederland en het 2de leerjaar in Vlaanderen, rond 7 tot 9 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.

  • 8→4
  • 10→5

De eerste van 8 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal

Zo ziet het eruit voor uw kind

Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: De helft.

1 Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
2 Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
3 Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
4 Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.
Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.

Hoe het samenhangt

De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.

eerst dit, dan dat hoort bij

  • 8→4
  • 10→5

Delen door 2: de helft van 0, 2, 4, 6, 8 en 10.

  • 8→4
  • 2→1

De helft terug is het dubbele: ? → 4, dus 4 + 4.

  • 9÷3=3
  • 10÷5=2

Delen is de tafel terug: 8 ÷ 4 — welk getal keer 4 is 8?

  • 9÷3=3
  • 6÷2=3

Dezelfde sommen, maar elke keer een ander getal weg: het antwoord, de deler, of het getal dat je deelt.

  • 3÷3=1
  • 6÷3=2

Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.

  • 40÷2=20
  • 30÷30=1

Dezelfde sommen tot 10, maar dan met nullen erachter: weet je dat 8 ÷ 2 = 4, dan weet je ook 80 ÷ 20 = 4 en 80 ÷ 2 = 40.

  • 10÷5=2
  • 6÷3=2

Welke twee getallen geven deze uitkomst? Tik ze in de goede volgorde aan.

  • 2÷2=1
  • 9÷3=3

Een lange ronde van 30 sommen door elkaar, als afsluiter.

Waarom dit belangrijk is

De helft kennen veel kinderen al van een appel of een reep chocola. Hier krijgt dat gevoel een som: 6 ÷ 2 = 3. Het is het moment waarop uw kind ziet dat het een hoeveelheid ook in gelijke stukken kan opdelen.

Na de helft komen andere delers. Met de keersommen tot 10 in het achterhoofd is 10 ÷ 5 geen raadsel: het is twee keer vijf, van de andere kant bekeken.

Zo pakt u het aan

Verdeel echt: zes knikkers over twee bakjes, om en om. Pas als uw kind ziet dat er in elk bakje drie liggen, komt het teken ÷ erbij. Dat om-en-om leggen is precies wat delen betekent.

Bij de helft-invulsommen draait de vraag om: van welk getal is 5 de helft? Dan moet uw kind niet delen maar verdubbelen. Dat omschakelen is lastig in het begin, en daarom zit het er juist in.

Wanneer zit het erin?

Een ronde van 10 sommen in één keer zonder fouten, binnen 20 seconden. Dat is ongeveer 2 seconden per som: geen tellen meer, maar weten.