Kijk bij elke som eerst of het plus of min is.
Aftrekken tot 10
Aftrekken tot 10 oefenen, zoals 8 − 3 en 10 − 2: eerst twee getallen, dan drie of vier getallen en de balans, daarna alles door elkaar.
Uw kind kan hier beginnen zodra het tot 10 kan optellen, tot 5 kan aftrekken en de getallen tot 10 op de getallenlijn kent. Bij sommen met drie getallen is elke tussenstap een kleine som die uw kind al moet kennen; wie nog op de vingers terugtelt, raakt halverwege de tel kwijt.
Meestal in groep 3 in Nederland en het 1ste leerjaar in Vlaanderen, rond 6 tot 7 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.
De eerste van 23 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal
Zo ziet het eruit voor uw kind
Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Uitrekenen.
Hoe het samenhangt
De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.
Aftrekken
Aftrekken tot 10
Twee getallen tot 10
Meer getallen en balans tot 10
eerst dit, dan dat hoort bij
30 sommen achter elkaar, alles gemengd: de proef op de som.
Eén minuut, zo veel sommen als het lukt. Niet nodig om verder te komen, wel leuk om sneller te worden.
40 sommen achter elkaar, alles gemengd: de proef op de som.
Twee getallen tot 10
Ken je de paartjes van tien, dan weet je ook wat er overblijft: 10 − 4 = 6, want 4 en 6 maken samen 10.
Het getal dat ervoor komt: vóór 6 komt 5.
Tel terug vanaf het eerste getal: 9 − 3 → 8, 7, 6.
Draai hem om: 9 − ? = 6 is hetzelfde als 6 + ? = 9.
Lees de hele som voor je invult: komt er iets bij, of gaat er iets af?
Meer getallen en balans tot 10
Haal ze er één voor één af, van links naar rechts.
Reken één kant uit, en maak de andere kant even groot.
Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.
Eén minuut, zo veel sommen als het lukt. Niet nodig om verder te komen, wel leuk om sneller te worden.
Haal ze er één voor één af, van links naar rechts.
Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.
Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.
- Plus en min: drie getallen — Staat bij Optellen tot 10
- Plus en min: balans — Staat bij Optellen tot 10
Door elkaar tot 10
Dezelfde som als 9 − 3 = 6, maar tien keer zo groot: 90 − 30 = 60.
Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?
Dezelfde som als 9 − 3 = 6, maar honderd keer zo groot: 900 − 300 = 600.
Net als 10 − 3 = 7, maar tien keer zo groot: 100 − 30 = 70.
Dezelfde som als 9 − 3 = 6, maar duizend keer zo groot: 9000 − 3000 = 6000.
Net als 10 − 3 = 7, maar honderd keer zo groot: 1000 − 300 = 700.
Net als 10 − 3 = 7, maar duizend keer zo groot: 10000 − 3000 = 7000.
Waarom dit belangrijk is
Tot tien worden de sommen nog niet moeilijker van vorm, wel ruimer. Uw kind trekt nu af van getallen tot 10, haalt soms drie of vier getallen achter elkaar weg en maakt een balans kloppend, met aan beide kanten van het is-teken een som. Dat laatste is nieuw: het is-teken betekent ‘is evenveel als’, niet ‘en nu het antwoord’.
Daarnaast verschijnen de ronde getallen. Wie 8 − 5 kent, kent ook 80 − 50 en 8000 − 5000. Dat inzicht, dat tientallen en duizendtallen zich gedragen als gewone getallen, is later onmisbaar bij rekenen tot honderd en verder.
Zo pakt u het aan
Laat uw kind de splitsingen van tien goed kennen: 10 is 6 en 4, 2 en 8, 5 en 5. Wie die paren uit het hoofd weet, ziet bij 10 − 6 meteen dat er 4 overblijft, zonder te tellen.
Bij sommen met drie of vier getallen helpt het om hardop te werken: ‘acht, min twee is zes, min één is vijf’. Elke tussenstap is dan een kleine som die uw kind al kent. Wordt het te veel om te onthouden, dan mag het tussenantwoord gerust even op een briefje.
Wanneer zit het erin?
Foutloos door de hele ronde van 10, en samen niet langer dan 20 seconden. Rond de 2 seconden per som laat zien dat er niet meer geteld wordt.