Aftrekken
Aftrekken oefenen, van 3 − 1 tot 63 − 57: terugtellen en aanvullen, in zes stappen van tot 5 naar tot 100, met plus en min door elkaar.
- Aftrekken tot 5Aftrekken tot 5 oefenen, van 3 − 1 tot 3 − 3: kleine getallen eraf halen, ook alles eraf of niets eraf, zoals bij 4 − 0.
- Aftrekken tot 10Aftrekken tot 10 oefenen, zoals 8 − 3 en 10 − 2: eerst twee getallen, dan drie of vier getallen en de balans, daarna alles door elkaar.
- Aftrekken tot 20Aftrekken tot 20 oefenen, van 19 − 2 tot 12 − 7: binnen het tiental en terug over de tien, met meer getallen, de balans en plus en min door elkaar.
- Aftrekken tot 30Aftrekken tot 30 oefenen, van 29 − 6 tot 23 − 9 en 27 − 24: terug over twee tientallen, met meer getallen, de balans en plus en min door elkaar.
- Aftrekken tot 50Aftrekken tot 50 oefenen, van 46 − 2 tot 50 − 31: grotere getallen met dezelfde aanpak, ook met drie of vier getallen en de balans.
- Aftrekken tot 100Aftrekken tot 100 oefenen, van 87 − 7 tot 63 − 57: twee getallen van twee cijfers, terug over het tiental, en meer getallen tegelijk.
Hoe het samenhangt
De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.
eerst dit, dan dat hoort bij
Waarom dit belangrijk is
Aftrekken is lastiger dan optellen, en dat is geen toeval. Bij optellen groeit alles, bij aftrekken moet uw kind terug, en terugtellen gaat minder vanzelf dan vooruit. Wie aftrekken alleen als ‘wegnemen’ leert, loopt vast bij een som als 31 − 28, waar wegnemen veel stappen kost.
Daarom staat aftrekken hier steeds naast optellen. Er zijn sommen met plus en min door elkaar, en invulsommen waarin uw kind ziet dat 9 − 4 = 5 en 4 + 5 = 9 hetzelfde verhaal vertellen. Die twee kanten samen maken later breuken, kommagetallen en hoofdrekenen onder de honderd een stuk lichter.
Zo pakt u het aan
Er zijn twee manieren om af te trekken, en uw kind heeft ze allebei nodig. Terugtellen werkt goed als er weinig af gaat: 14 − 2 is twee stapjes terug. Aanvullen werkt beter als de getallen dicht bij elkaar liggen: bij 31 − 28 telt u op van 28 naar 31, en dat is maar 3.
Laat uw kind bij elke som even kiezen in plaats van altijd hetzelfde te doen. Vraag af en toe hardop: ‘is het ver weg of dichtbij?’ Na een tijdje stelt uw kind die vraag zelf, en dat is precies de gewoonte die het later bij grote getallen nodig heeft.