Kijk bij elke som eerst of het plus of min is.
Aftrekken tot 50
Aftrekken tot 50 oefenen, van 46 − 2 tot 50 − 31: grotere getallen met dezelfde aanpak, ook met drie of vier getallen en de balans.
Uw kind kan hier beginnen zodra het tot 50 kan optellen en aftrekken tot 30 vlot gaat. Bij 45 − 19 ligt het antwoord ver van het startgetal, en wie dan nog terugtelt in plaats van met tientallen te springen, raakt de tel kwijt.
Meestal in groep 4 in Nederland en het 2de leerjaar in Vlaanderen, rond 7 tot 8 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.
De eerste van 28 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal
Zo ziet het eruit voor uw kind
Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Over de tien.
Hoe het samenhangt
De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.
Aftrekken
Aftrekken tot 50
Twee getallen tot 50
Meer getallen en balans tot 50
Kan daarna
eerst dit, dan dat hoort bij
Lees de hele som voor je invult: komt er iets bij, of gaat er iets af?
Van links naar rechts, één stap tegelijk.
Reken één kant uit, en maak de andere kant even groot.
30 sommen achter elkaar, alles gemengd: de proef op de som.
Eén minuut, zo veel sommen als het lukt. Niet nodig om verder te komen, wel leuk om sneller te worden.
50 sommen achter elkaar, alles gemengd: de proef op de som.
Twee getallen tot 50
Welke twee getallen geven dit verschil? Tik ze in de goede volgorde aan.
47 − 5: alleen de enen, 7 − 5 = 2, dus 42.
Eerst terug naar het tiental: 43 − 8 = 43 − 3 − 5 = 35.
Draai hem om: 47 − ? = 42 is hetzelfde als 42 + ? = 47.
Tel op vanaf het kleine getal: 50 − 27 — van 27 naar 30 is 3, dan nog 20, dus 23.
Draai hem om: 43 − ? = 35 is hetzelfde als 35 + ? = 43.
Kijk eerst: kun je de enen eraf halen zonder terug over de tien te gaan?
Meer getallen en balans tot 50
Haal ze er één voor één af, van links naar rechts.
Reken één kant uit, en maak de andere kant even groot.
Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.
Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?
Haal ze er één voor één af, van links naar rechts.
Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?
Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.
Door elkaar tot 50
Dezelfde som als 43 − 8 = 35, maar tien keer zo groot: 430 − 80 = 350.
Eén minuut, zo veel sommen als het lukt. Niet nodig om verder te komen, wel leuk om sneller te worden.
Dezelfde som als 43 − 8 = 35, maar honderd keer zo groot: 4300 − 800 = 3500.
Net als 50 − 24 = 26, maar tien keer zo groot: 500 − 240 = 260.
Dezelfde som als 43 − 8 = 35, maar duizend keer zo groot: 43000 − 8000 = 35000.
Net als 50 − 24 = 26, maar honderd keer zo groot: 5000 − 2400 = 2600.
Net als 50 − 24 = 26, maar duizend keer zo groot: 50000 − 24000 = 26000.
Waarom dit belangrijk is
Tot vijftig komt er weinig nieuws in de soort sommen; wat verandert is de ruimte. Uw kind werkt nu met vier tientallen en moet daarbij het overzicht houden. Bij 45 − 19 ligt het antwoord niet meer naast het startgetal, en wie dan nog op de vingers terugtelt, raakt de tel kwijt.
Dat maakt deze stap tot het moment waarop handige strategieën echt nodig worden. Wie hier leert om met tientallen te springen, rekent straks tot honderd zonder papier. En de balans met getallen tot vijftig traint iets wat in de wiskunde steeds terugkomt: twee kanten die even zwaar moeten zijn.
Zo pakt u het aan
Een handige truc bij getallen vlak onder een tiental is ‘te veel eraf, en dan terug’. Bij 42 − 19 haalt u 20 weg, dat is 22, en omdat u er één te veel af deed, telt u die weer bij: 23. Veel kinderen vinden dat leuk zodra ze zien dat het klopt.
Leer uw kind ook om een antwoord af en toe te controleren met een optelsom. Als 47 − 18 = 29, dan moet 29 + 18 weer 47 zijn. Die controle kost een paar seconden, en een kind dat eraan gewend is, vangt de eigen fouten op voordat iemand anders ze ziet.
Wanneer zit het erin?
Een ronde van 10 sommen in één keer zonder fouten, binnen 30 seconden. Dat is ongeveer 3 seconden per som: geen tellen meer, maar weten.