Maqqii Een gebalanceerd netwerk van rekenvaardigheden voor kinderen op de basisschool Oefenen

Optellen tot 50

Optellen tot 50 oefenen, van 35 + 4 tot 27 + 7: getallen zien als tientallen en enen, over elk tiental heen, met meer getallen en de balans.

Uw kind kan hier beginnen zodra optellen en aftrekken tot 30 goed zitten en het de getallen op de getallenlijn kan plaatsen. Tot 50 is op de vingers tellen geen optie meer, dus uw kind moet al gewend zijn om met tientallen en enen te schuiven in plaats van te tellen.

Meestal in groep 4 in Nederland en het 2de leerjaar in Vlaanderen, rond 7 tot 8 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.

Twee getallen tot 50
  • 31+10=41
  • 42+6=48

De eerste van 22 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal

Zo ziet het eruit voor uw kind

Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Over de tien.

1 Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
2 Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
3 Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
4 Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.
Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.

Hoe het samenhangt

De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.

eerst dit, dan dat hoort bij

Twee getallen tot 50

  • 31+10=41
  • 42+6=48

Kies twee getallen die samen het antwoord maken

  • 35+4=39
  • 40+6=46

42 + 5: tel alleen de enen, 2 + 5 = 7, dus 47.

  • 39+1=40
  • 28+5=33

Spring eerst naar het tiental: 37 + 8 = 37 + 3 + 5 = 45.

  • 42+7=49
  • 30+8=38

Draai hem om: ? + 5 = 47 is hetzelfde als 47 − 5.

  • 20+30=50
  • 43+7=50

Spring eerst naar het tiental: ? + 24 = 50 — van 24 naar 30 is 6, dan nog 20, dus 26.

  • 27+7=34
  • 38+3=41

Draai hem om: ? + 8 = 45 is hetzelfde als 45 − 8.

  • 33+5=38
  • 39+1=40

Kijk eerst: komen de enen samen boven de tien?

Meer getallen en balans tot 50

  • 16+17+15=48
  • 9+26+10=45

Zoek eerst getallen die samen een rond getal maken, zoals 7 + 3.

  • 7+41=5+43
  • 30+8=16+22

Reken één kant uit, en maak de andere kant even groot.

  • 4+3+42=49
  • 4+2+27=33

Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.

  • 2+37+2=41
  • 15+23+6=44

Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.

  • 2+2+4+35=43
  • 3+9+21+2=35

Zoek eerst getallen die samen een rond getal maken, zoals 7 + 3.

  • 23+20=39+4
  • 48+1=44+5

Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.

  • 3+4+16+19=42
  • 1+1+11+19=32

Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.

Door elkaar tot 50

  • 380+60=440
  • 320+80=400

Dezelfde som als 37 + 8 = 45, maar tien keer zo groot: 370 + 80 = 450.

  • 34+6=40
  • 44+6=50

Eén minuut, zo veel sommen als het lukt. Niet nodig om verder te komen, wel leuk om sneller te worden.

  • 2500+900=3400
  • 2800+200=3000

Dezelfde som als 37 + 8 = 45, maar honderd keer zo groot: 3700 + 800 = 4500.

  • 170+330=500
  • 360+140=500

Net als 24 + 26 = 50, maar tien keer zo groot: 240 + 260 = 500.

  • 17000+6000=23000
  • 39000+4000=43000

Dezelfde som als 37 + 8 = 45, maar duizend keer zo groot: 37000 + 8000 = 45000.

  • 1500+3500=5000
  • 1700+3300=5000

Net als 24 + 26 = 50, maar honderd keer zo groot: 2400 + 2600 = 5000.

  • 31000+19000=50000
  • 43000+7000=50000

Net als 24 + 26 = 50, maar duizend keer zo groot: 24000 + 26000 = 50000.

Alles samen

  • 30+470=500
  • 290+60=350

Alles van dit onderwerp in één ronde van 50 sommen.

Waarom dit belangrijk is

Tot vijftig verandert vooral de schaal. Er zijn meer tientallen om bij te houden, en op de vingers tellen is definitief geen optie meer. Uw kind moet een getal zien als tientallen plus enen, en daar handig mee schuiven.

Dat begrip, dat een cijfer iets anders betekent op een andere plek, is een van de belangrijkste dingen die een kind in het rekenen opbouwt. Het zit straks in optellen onder elkaar, in kommagetallen en in elke schatting met grote getallen. Deze stap is dus geen herhaling van tot dertig, maar een oefenterrein voor dat ene inzicht.

Zo pakt u het aan

Tientallen en enen kunt u goed tastbaar maken met ijsstokjes en elastiekjes: bundels van tien en losse. Leg 26 en 17 neer, schuif eerst de bundels samen en dan de losse. Zijn er tien losse of meer, dan maakt uw kind er een nieuwe bundel van. Zo wordt de sprong over de tien iets wat u ziet gebeuren.

Bij ‘Vorm een som’ zoekt uw kind zelf twee getallen die samen het antwoord maken. Speel dat thuis na met een doel: ‘maak samen 45’. Er zijn veel goede antwoorden, en praten over welk antwoord het handigst is, leert uw kind meer dan één goed antwoord vinden.

Wanneer zit het erin?

Een ronde van 10 sommen in één keer zonder fouten, binnen 45 seconden. Dat is ongeveer 4,5 seconden per som: geen tellen meer, maar weten.