Maqqii Een gebalanceerd netwerk van rekenvaardigheden voor kinderen op de basisschool Oefenen

Optellen tot 100

Optellen tot 100 oefenen, van 31 + 11 tot 34 + 46: twee getallen van twee cijfers, met of zonder sprong over het tiental, en meer getallen tegelijk.

Uw kind kan hier beginnen zodra het tot 50 vlot optelt en aftrekt en de getallen op de getallenlijn kan plaatsen. Hier komt samen wat eerder los geoefend is, en wie bij 58 + 37 nog elk tiental moet uittellen, mist het overzicht dat deze stap juist vraagt.

Meestal in groep 4–5 in Nederland en het 2de leerjaar in Vlaanderen, rond 7 tot 9 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.

Twee getallen tot 100
  • 80+8=88
  • 47+2=49

De eerste van 26 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal

Zo ziet het eruit voor uw kind

Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Plus een enkel cijfer, over de tien.

1 Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
2 Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
3 Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
4 Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.
Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.

Hoe het samenhangt

De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.

eerst dit, dan dat hoort bij

Twee getallen tot 100

  • 80+8=88
  • 47+2=49

74 + 3: tel alleen de enen, 4 + 3 = 7, dus 77.

  • 14+66=80
  • 31+51=82

Kies twee getallen die samen het antwoord maken

  • 31+11=42
  • 21+32=53

Tientallen bij tientallen, enen bij enen: 32 + 45 = 70 + 7 = 77.

  • 87+4=91
  • 19+9=28

Spring eerst naar het tiental: 68 + 5 = 68 + 2 + 3 = 73.

  • 90+9=99
  • 73+2=75

Draai hem om: ? + 3 = 77 is hetzelfde als 77 − 3.

  • 34+46=80
  • 33+27=60

Eerst de tientallen, dan de enen: 47 + 35 = 77 + 5 = 82.

  • 32+43=75
  • 45+31=76

Draai hem om: ? + 45 = 77 is hetzelfde als 77 − 45.

  • 45+8=53
  • 86+7=93

Draai hem om: ? + 5 = 73 is hetzelfde als 73 − 5.

  • 20+80=100
  • 69+31=100

Spring eerst naar het tiental: ? + 49 = 100 — van 49 naar 50 is 1, dan nog 50, dus 51.

  • 22+25=47
  • 33+27=60

Kijk eerst: komen de enen samen boven de tien?

  • 17+69=86
  • 36+45=81

Draai hem om: ? + 35 = 82 is hetzelfde als 82 − 35.

Meer getallen en balans tot 100

  • 23+50+1=74
  • 9+1+55=65

Zoek eerst getallen die samen een rond getal maken, zoals 7 + 3.

  • 37+24=17+44
  • 54+4=46+12

Reken één kant uit, en maak de andere kant even groot.

  • 8+6+84=98
  • 6+43+20=69

Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.

  • 13+25+47=85
  • 3+3+47=53

Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.

  • 7+9+13+28=57
  • 2+4+44+45=95

Zoek eerst getallen die samen een rond getal maken, zoals 7 + 3.

  • 33+22=41+14
  • 4+94=42+56

Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?

  • 4+3+21+30=58
  • 14+2+13+56=85

Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.

Door elkaar tot 100

  • 160+660=820
  • 500+170=670

Dezelfde som als 47 + 35 = 82, maar tien keer zo groot: 470 + 350 = 820.

  • 25+18=43
  • 32+39=71

Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.

  • 1200+4600=5800
  • 3600+4700=8300

Dezelfde som als 47 + 35 = 82, maar honderd keer zo groot: 4700 + 3500 = 8200.

  • 780+220=1000
  • 890+110=1000

Net als 45 + 55 = 100, maar tien keer zo groot: 450 + 550 = 1000.

  • 34000+30000=64000
  • 13000+33000=46000

Dezelfde som als 47 + 35 = 82, maar duizend keer zo groot: 47000 + 35000 = 82000.

  • 4400+5600=10000
  • 7400+2600=10000

Net als 45 + 55 = 100, maar honderd keer zo groot: 4500 + 5500 = 10000.

  • 63000+37000=100000
  • 68000+32000=100000

Net als 45 + 55 = 100, maar duizend keer zo groot: 45000 + 55000 = 100000.

Alles samen

  • 28+2+51=81
  • 1+2+12+66=81

Een lange ronde van 60 sommen door elkaar, als afsluiter.

Waarom dit belangrijk is

Tot honderd komt alles samen wat in de vorige stappen los is geoefend. Uw kind telt twee getallen van twee cijfers op, met en zonder sprong over het tiental, en kiest zelf welke aanpak het handigst is. Optellen tot honderd uit het hoofd is een vaardigheid die daarna nooit meer weggaat.

Hier gaat het ook om overzicht. Een kind dat bij 58 + 37 meteen ziet dat het ergens tussen 90 en 100 uitkomt, maakt minder fouten dan een kind dat alleen een recept volgt. De sommen met honderdtallen en duizendtallen bouwen op dat gevoel voor grootte verder, tot honderdduizend.

Zo pakt u het aan

Er zijn twee goede routes, en uw kind mag kiezen. De eerste rijgt: begin bij het eerste getal en tel er eerst de tientallen, dan de enen bij, zoals 36 + 28 → 56 → 64. De tweede rondt af: 36 + 30 = 66, en omdat dat 2 te veel was, wordt het 64. Vraag uw kind eens om een som op beide manieren te doen en te vertellen welke fijner voelde.

Voor ‘Samen 100’ zijn de honderdparen het geheim: 64 en 36, 25 en 75, 81 en 19. Een spelletje werkt hier goed. U noemt een getal, uw kind het getal dat aanvult tot honderd, en daarna wisselt u om. Na een paar dagen gaat dat verrassend snel.

Wanneer zit het erin?

Foutloos door de hele ronde van 10, en samen niet langer dan 25 seconden. Rond de 2,5 seconden per som laat zien dat er niet meer geteld wordt.