Het getal heeft één heel cijfer en drie decimalen. Welk cijfer staat op de genoemde plaats?
Kommagetallen
Kommagetallen oefenen, van 1,4 + 2,1 tot 0,007 + 2,236: lezen, onder elkaar zetten, optellen en aftrekken, en de komma laten verschuiven.
Uw kind kan hier beginnen zodra het tot 100 kan optellen en de keersommen tot 10 kent; voor de latere oefeningen komen aftrekken tot 100 en delen tot 10 erbij. Na de komma werkt het met tienden en honderdsten zoals eerder met tientallen en enen, en wie dat nog niet vlot doet, leest 3,25 al snel als meer dan 3,5.
Meestal in groep 6–7 in Nederland en het 4de–5de leerjaar in Vlaanderen, rond 9 tot 11 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.
De eerste van 23 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal
Zo ziet het eruit voor uw kind
Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Een heel getal optellen.
Hoe het samenhangt
De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.
Eerst nodig
Ontdekken
Kommagetallen
Een kommagetal lezen
Kolommen onder elkaar
Optellen en aftrekken
De komma verschuiven
+1 meer
Alles samen
eerst dit, dan dat hoort bij
Een kommagetal lezen
Kolommen onder elkaar
Een heel getal onder de 20 plus een decimaal getal. De tienden veranderen niet.
Welk getal ontbreekt? Samen maken ze een heel getal.
Getallen met twee decimalen, zoals 3,42 + 0,05. In welke kolom hoort het kleine getal?
Getallen met drie decimalen, zoals 3,140 + 0,005. De laatste plaats telt ook als er niets staat.
0,3, 0,04 of 0,005 bij getallen van elke lengte. Zet eerst de kolommen onder elkaar.
Optellen en aftrekken
De tienden blijven onder de tien, dus er gaat niets over de komma.
Soms zijn de tienden samen meer dan tien, en dan gaat er ééntje naar het hele getal.
Elke kolom is groot genoeg om van af te halen, dus er wordt niets geleend.
Twee decimale getallen, met of zonder onthouden.
De tienden zijn te weinig om van af te halen, dus leen je een hele: dat zijn tien tienden.
Een decimaal getal van een ander, met of zonder lenen.
Decimalen optellen en aftrekken door elkaar
De komma verschuiven
Elk cijfer schuift één plaats naar links: 4,5 × 10 = 45.
Elk cijfer schuift één plaats naar rechts: 45 : 10 = 4,5.
Nu twee plaatsen: 4,5 × 100 = 450 en 0,004 × 100 = 0,4.
Twee plaatsen terug: 450 : 100 = 4,5 en 0,4 : 100 = 0,004.
Drie plaatsen in één keer: 24,64 × 1000 = 24640.
Drie plaatsen in één keer: 24640 : 1000 = 24,64.
Alle drie door elkaar, dus je leest eerst met hoeveel je vermenigvuldigt.
Alle drie door elkaar. Lees eerst waardoor je deelt, dan schuif je de komma.
Beide kanten op en alle drie de machten: welke kant de komma op gaat, en hoe ver.
Alles samen
80 sommen achter elkaar, alles gemengd: de proef op de som.
Waarom dit belangrijk is
Kommagetallen zijn overal: prijzen, afstanden, de weegschaal in de keuken. Ze bouwen voort op wat een kind al kent, tientallen en eenheden, maar dan de andere kant op: na de komma komen tienden, honderdsten en duizendsten.
De meeste fouten ontstaan doordat een kind een kommagetal leest als twee losse hele getallen. Dan lijkt 3,25 groter dan 3,5, want 25 is meer dan 5. Wie weet wat elke plaats waard is, trapt daar niet meer in.
Zo pakt u het aan
Het werk draait om kolommen. Zet bij optellen en aftrekken de komma's recht onder elkaar, en vul een lege plaats in gedachten aan met een nul: 4,6 is hetzelfde als 4,60. Dan wordt 4,6 + 0,07 ineens overzichtelijk: 4,67.
Bij keer of gedeeld door 10, 100 of 1000 schuiven de cijfers op. Keer 100 betekent twee plaatsen naar links, dus 0,38 × 100 = 38. Laat uw kind eerst hardop zeggen hoeveel plaatsen en welke kant op, voordat het iets opschrijft.
Wanneer zit het erin?
Als uw kind alle 10 sommen foutloos maakt in 40 seconden of minder. Zo vlot gaat het pas wanneer de antwoorden uit het geheugen komen.