Kies twee getallen die samen het antwoord maken
Optellen tot 10
Optellen tot 10 oefenen, van 6 + 1 tot 4 + 3 + 1: eerst twee getallen, dan meer getallen en de balans, daarna alles door elkaar.
Uw kind kan hier beginnen zodra het tot 5 kan optellen en aftrekken; voor de latere oefeningen komen de getallenlijn en aftrekken tot 10 erbij. De kern van deze stap zijn de getallen die samen tien maken, en die zitten het snelst vast als uw kind ze van twee kanten kent: als 3 + 7 en als 10 − 7.
Meestal in groep 3 in Nederland en het 1ste leerjaar in Vlaanderen, rond 6 tot 7 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.
De eerste van 22 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal
Zo ziet het eruit voor uw kind
Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Uitrekenen.
Hoe het samenhangt
De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.
Optellen
Optellen tot 10
Twee getallen tot 10
Meer getallen en balans tot 10
+1 meer
Door elkaar tot 10
Alles samen
eerst dit, dan dat hoort bij
Twee getallen tot 10
Het getal dat erna komt: na 6 komt 7.
Begin bij het grootste getal en tel verder: 6 + 3 → 7, 8, 9.
Ken je de paartjes van tien — 1 en 9, 2 en 8, 3 en 7 — dan zie je het meteen.
Tel verder vanaf het getal dat er staat: 6 + ? = 9 → 7, 8, 9, dus 3.
- Plus en min: invullen — Staat bij Aftrekken tot 10
Meer getallen en balans tot 10
Zoek eerst getallen die samen een rond getal maken, zoals 7 + 3.
Reken één kant uit, en maak de andere kant even groot.
Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.
Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?
Zoek eerst getallen die samen een rond getal maken, zoals 7 + 3.
Eén minuut, zo veel sommen als het lukt. Niet nodig om verder te komen, wel leuk om sneller te worden.
Reken eerst uit wat er al staat, en kijk dan hoeveel er nog mist.
Van links naar rechts, één stap tegelijk.
Reken één kant uit, en maak de andere kant even groot.
Door elkaar tot 10
Dezelfde som als 6 + 3 = 9, maar tien keer zo groot: 60 + 30 = 90.
Eén minuut, zo veel sommen als het lukt. Niet nodig om verder te komen, wel leuk om sneller te worden.
Dezelfde som als 6 + 3 = 9, maar honderd keer zo groot: 600 + 300 = 900.
Net als 3 + 7 = 10, maar tien keer zo groot: 30 + 70 = 100.
Dezelfde som als 6 + 3 = 9, maar duizend keer zo groot: 6000 + 3000 = 9000.
Net als 3 + 7 = 10, maar honderd keer zo groot: 300 + 700 = 1000.
Net als 3 + 7 = 10, maar duizend keer zo groot: 3000 + 7000 = 10000.
Alles samen
Alles van dit onderwerp in één ronde van 50 sommen.
- Plus en min — Staat bij Aftrekken tot 10
- Plus en min: grote ronde — Staat bij Aftrekken tot 10
- Snel: plus en min — Staat bij Aftrekken tot 10
Waarom dit belangrijk is
Tot vijf ging het om de eerste kleine sommen. Tot tien verdubbelt het aantal sommen, en dat is het punt waarop tellen op de vingers traag begint te worden. De belangrijkste opbrengst van deze stap zijn de getallen die samen tien maken, want daarop leunt straks alles wat over de tien heen gaat.
Nieuw zijn ook sommen met drie of vier getallen en de balans, waarin aan beide kanten van het is-teken iets staat. Daarnaast ontdekt uw kind dat 3 + 6 en 300 + 600 dezelfde som zijn op een andere schaal. Dat idee maakt grote getallen een stuk minder eng.
Zo pakt u het aan
Ronde getallen kunt u goed uitleggen met geld. Vier briefjes van tien en drie briefjes van tien zijn zeven briefjes, dus 70. Met briefjes van honderd werkt het precies zo. Zo ziet uw kind dat het rekenen niet verandert, alleen wat er geteld wordt.
Voor de balans is een weegschaal het beste beeld: wat links ligt, moet rechts ook liggen. Een paar knikkers of blokjes op tafel maken dat tastbaar. Leg er links vijf en rechts drie, en vraag hoeveel er rechts nog bij moeten. Zo wordt de balans een spelletje in plaats van een raadsel.
Wanneer zit het erin?
Foutloos door de hele ronde van 10, en samen niet langer dan 40 seconden. Rond de 4 seconden per som laat zien dat er niet meer geteld wordt.