Eén stukje is gekleurd. Welke breuk is het?
Breuken lezen
Breuken lezen oefenen, van 3/8 tot 9/4: een taart in stukken en welke breuk dat is, van één stukje tot meer dan een hele.
Hier begint het met breuken: een taart in stukken benoemen kan uw kind zonder voorkennis; voor de latere oefeningen komt delen tot 20 erbij. Daar gaan de breuken voorbij de hele taart, en bij 11/3 moet uw kind zien hoe vaak drie in elf past: drie keer, met twee over.
Meestal in groep 5–6 in Nederland en het 3de–4de leerjaar in Vlaanderen, rond 8 tot 10 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.
De eerste van 7 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal
Hoe het samenhangt
De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.
eerst dit, dan dat hoort bij
Meerdere stukjes zijn gekleurd, in taarten tot wel twaalf stukjes. Welke breuk is het?
Hele taarten en een stuk. Hoeveel is het samen — 2 2/3, 1 1/5?
Tel de stukjes en schrijf de breuk zelf op: de gekleurde boven, alle stukjes onder.
Dezelfde taarten, nu in stukjes geteld: alle hele taarten zijn ook in stukjes verdeeld. Het antwoord is meer dan één heel.
12/5 is hoeveel hele taarten, en hoeveel blijft er over? Schrijf het als 2 2/5.
78/20 = ? ?/20. Hoeveel hele, en wat blijft er over? Nu met grotere getallen.
Waarom dit belangrijk is
Lezen komt vóór rekenen. Een breuk vertelt twee dingen tegelijk: in hoeveel gelijke stukken iets verdeeld is, en hoeveel van die stukken u heeft. Een kind dat bij 3/8 meteen een taart in acht ziet met drie stukken gekleurd, heeft een beeld waar het later steeds op kan terugvallen.
De oefeningen gaan ook voorbij de hele taart. 9/4 is meer dan één: twee hele taarten en nog een kwart. Vlot kunnen schakelen tussen 9/4 en 2 1/4 komt terug bij optellen en vermenigvuldigen.
Zo pakt u het aan
Laat uw kind eerst tellen: hoeveel stukken heeft de taart in totaal? Dat getal hoort onder de streep. Daarna de gekleurde stukken: die komen erboven. Wie die volgorde vasthoudt, haalt teller en noemer niet meer door elkaar.
Bij meer dan één taart helpt het om eerst de hele taarten te tellen en dan pas naar het restje te kijken. Andersom, bij 11/3: hoe vaak past drie in elf? Drie keer, en er blijven twee stukken over, dus 3 2/3.
Wanneer zit het erin?
Een ronde van 10 sommen in één keer zonder fouten, binnen 25 seconden. Dat is ongeveer 2,5 seconden per som: geen tellen meer, maar weten.