Maqqii Een gebalanceerd netwerk van rekenvaardigheden voor kinderen op de basisschool Oefenen

Gelijkwaardige breuken

Gelijkwaardige breuken oefenen, van 2/6 = 1/3 tot 10/15 = 2/3: zien dat andere getallen evenveel taart zijn, en breuken anders opschrijven.

Uw kind kan hier beginnen zodra het breuken kan lezen; voor de latere oefeningen komen vermenigvuldigen tot 20 en de tafels erbij. De plaatjes vragen vooral een goed oog, maar om 12/16 als 3/4 te schrijven moet uw kind zien dat 12 en 16 allebei door 4 te delen zijn, en dat ziet alleen wie de tafels zonder nadenken kent.

Meestal in groep 6–7 in Nederland en het 4de–5de leerjaar in Vlaanderen, rond 9 tot 11 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.

De eerste van 8 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal

Zo ziet het eruit voor uw kind

Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Maak ze gelijk: de teller.

1 Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
2 Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
3 Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
4 Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.
Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.

Hoe het samenhangt

De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.

eerst dit, dan dat hoort bij

Kies elke taart met evenveel gekleurd als de taart hierboven. Het zijn er één tot drie.

  • 4
    6
    6
    9
  • 6
    12
    2
    4

Kies elke breuk die evenveel is als de taart. Het kunnen er één tot drie zijn.

  • 2
    5
    =
    4
    10
  • 1
    2
    =
    6
    12

2/3 = ?/12, of 8/12 = ?/3. De noemer is vermenigvuldigd of gedeeld om daar te komen; doe hetzelfde met de teller.

  • 2
    6
    =
    1
    3
  • 1
    6
    =
    2
    12

2/3 = 8/?, of 8/12 = 2/?. De teller is vermenigvuldigd of gedeeld om daar te komen; doe hetzelfde met de noemer.

  • 1
    3
  • 3
    5

Een taart, en breuken om uit te kiezen. Kan het met kleinere getallen, of kan het niet?

  • 14
    12
    =
    7
    6
  • 16
    10
    =
    8
    5

Meer dan één taart, in kleine stukjes. Welk plaatje laat evenveel zien, maar in grotere stukken?

  • 10
    15
    =
    2
    3
  • 14
    16
    =
    7
    8

5/6 = ?/18. De noemer is vermenigvuldigd om daar te komen; doe hetzelfde met de teller.

  • 1
    4
    =
    3
    12
  • 3
    4
    =
    12
    16

5/6 = 15/?. De teller is vermenigvuldigd om daar te komen; doe hetzelfde met de noemer.

Waarom dit belangrijk is

Dat twee verschillende breuken precies evenveel kunnen zijn, verrast veel kinderen. Toch is het de basis onder bijna al het verdere breukenwerk: optellen met verschillende noemers en een antwoord zo eenvoudig mogelijk opschrijven draaien er allebei om.

Wie snapt waarom 3/4 en 9/12 gelijk zijn, hoeft geen regeltjes te stampen. Het zijn dezelfde stukken taart, alleen is elk stuk nog eens in drieën gesneden.

Zo pakt u het aan

Begin bij de plaatjes: welke taart heeft evenveel gekleurd, ook al zijn de stukken anders? Daarna volgt de regel die erbij hoort: wat u met de noemer doet, doet u ook met de teller. Wordt de noemer vijf keer zo groot, dan de teller ook: 2/3 = 10/15.

De andere kant op werkt het net zo, maar dan met delen. 12/16 kan kleiner, want 12 en 16 zijn allebei door 4 te delen: 3/4. Vraag uw kind bij elke breuk even: kan deze nog met kleinere getallen?

Wanneer zit het erin?

Foutloos door de hele ronde van 10, en samen niet langer dan 60 seconden. Rond de 6 seconden per som laat zien dat er niet meer geteld wordt.