Maqqii Een gebalanceerd netwerk van rekenvaardigheden voor kinderen op de basisschool Oefenen

Delen tot 100

Delen tot 100 oefenen, van 60 ÷ 6 tot 84 ÷ 6: deelsommen tot 100, de helft van 52 tot 100 en alle vier de bewerkingen in één ronde.

Uw kind kan hier beginnen zodra delen tot 50 zit en het tot 100 kan vermenigvuldigen; voor de latere oefeningen komt aftrekken tot 100 erbij. Bij 91 ÷ 7 haalt het eerst 70 eraf, dat is 10 keer 7, en ziet dan dat de 21 die overblijft 3 keer 7 is: aftrekken en keersommen zijn allebei nodig.

Meestal in groep 5–6 in Nederland en het 3de leerjaar in Vlaanderen, rond 8 tot 10 jaar. Elk kind gaat in zijn eigen tempo; dit is een richtlijn, geen eis.

  • 74→37
  • 80→40

De eerste van 13 oefeningen in dit onderwerp. Bekijk ze allemaal

Zo ziet het eruit voor uw kind

Met één oefening uit dit onderwerp als voorbeeld: Uitrekenen.

1 Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
Op de pagina van het onderwerp staat de volgende oefening klaar.
2 Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
Uw kind speelt een ronde van 10 sommen.
3 Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
Foutloos en op tijd: de oefening is af, en het levert hout op voor het dorp.
4 Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.
Dezelfde pagina, een ronde later: de volgende oefening staat klaar.

Hoe het samenhangt

De pijlen wijzen naar wat daarna gedaan kan worden. Wat in een vak staat, hoort bij dat vak.

eerst dit, dan dat hoort bij

  • 74→37
  • 80→40

Delen door 2: de helft van 52 tot 100.

  • 84÷2=42
  • 100÷4=25

Delen is de tafel terug: 72 ÷ 8 — welk getal keer 8 is 72?

  • 60÷6=10
  • 65÷5=13

Dezelfde sommen, maar elke keer een ander getal weg: het antwoord, de deler, of het getal dat je deelt.

  • 84÷6=14
  • 75÷5=15

Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.

  • 85÷5=17
  • 60÷6=10

Delen is de tafel terug: 72 ÷ 8 — welk getal keer 8 is 72?

  • 7500÷5=1500
  • 800÷10=80

Dezelfde sommen tot 100, maar dan met nullen erachter: weet je dat 8 ÷ 2 = 4, dan weet je ook 80 ÷ 20 = 4, 8000 ÷ 2000 = 4 en 8000 ÷ 2 = 4000.

  • 96÷6=16
  • 54÷3=18

Welke twee getallen geven deze uitkomst? Tik ze in de goede volgorde aan.

  • 88÷8=11
  • 2×46=92

Alles van dit onderwerp in één ronde van 30 sommen.

  • 8×8=64
  • 80÷5=16

Tegen de klok: hoeveel lukken er in zestig seconden?

  • 75÷3=25
  • 9600÷800=12

Een lange ronde van 40 sommen door elkaar, als afsluiter.

  • 4×16=64
  • 25+29=54

Kijk eerst goed naar het teken.

  • 6×14=84
  • 6×16=96

30 sommen achter elkaar, alles gemengd: de proef op de som.

  • 89-67=22
  • 87-39=48

Een race tegen de tijd, voor wie het al kan en het sneller wil.

Waarom dit belangrijk is

Tot 100 deelt uw kind ook getallen die niet in de gewone tafels staan, zoals 96 ÷ 4 of 78 ÷ 3. Die worden pas oplosbaar door te splitsen: 78 is 60 + 18, en dat zijn twee deelsommen die uw kind al kent.

De ronde met plus, min, keer en delen sluit deze reeks af. Wie daar vlot en foutloos doorheen gaat, heeft de vier bewerkingen tot 100 echt in handen.

Zo pakt u het aan

Leer uw kind bij een lastige deelsom eerst een groot, makkelijk stuk eraf te halen. Bij 91 ÷ 7 is dat 70 ÷ 7 = 10, en de 21 die overblijft is 3 keer 7. Samen 13. Zo werkt later ook het staartdelen, alleen dan op papier.

Halveren tot 100 gaat net zo, met één valkuil: een oneven tiental. De helft van 76 is de helft van 70 en van 6, dus 35 + 3 = 38. Dat 70 in tweeën 35 geeft en geen rond getal, is even wennen.

Wanneer zit het erin?

Foutloos door de hele ronde van 10, en samen niet langer dan 35 seconden. Rond de 3,5 seconden per som laat zien dat er niet meer geteld wordt.